Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

bedlegerig - (aan bed gebonden)

Etymologische (standaard)werken

P.H. Schröder (1980), Van Aalmoes tot Zwijntjesjager, Baarn

bedlegerig

Bedlegerig noemt men de vrouw of man die verplicht is geruime tijd het bed te houden door een langdurige ziekte, een chronische kwaal. Men kan bijvoorbeeld zeggen: Sinds zijn vrouw bedlegerig is, doet hij behalve zijn gewone werk ook nog het huishouden. Maar men zal het woord nimmer gebruiken als de vrouw een griepje heeft. Het woord bedlegerig is een afleiding van het niet meer bestaande zelfstandige naamwoord bedleger: het te bed liggen, maar ook: het ziekbed. Het is samengesteld uit bed en leger; het laatste woord is afgeleid van de stam van het werkwoord liggen. Men spreekt immers ook van het leger van een haas voor: de ligplaats.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

bedlegerig bnw., eerst sedert de 16de eeuw, gevormd van oudnl. bedleger ‘ziekbed’; ook het hd. bettlägerig komt eerst in de 17de eeuw te voorschijn, vgl. mhd. bettelegers pflegen ‘ziek te bed liggen’.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

bedlegerig bnw., sedert de 16. eeuw. Afl. van oudnnl. bedleger o. “ziekbed”. Vgl. mhd. bettelëgers pflëgen “ziek te bed liggen”. Hd. bettlägerig komt eerst in de 17. eeuw voor. Vgl. bed en leger.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut