Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

bedelen - (om een aalmoes vragen)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

bedelen ww. ‘om een aalmoes vragen’
Mnl. bedelde (pret.) ‘om aalmoezen vroeg’ [1348; MNW-P]; vnnl. bedelen ‘(af)bedelen, dringend verlangen, ijverig zoeken’ [1599; Kil.].
Frequentatief van → bidden, dat in het Middelnederlands ‘verzoeken, bedelen, bidden, belastingen opleggen’ betekent. De betekenis is dus ‘herhaaldelijk verzoeken, bidden (om een aalmoes)’. Hiernaast vindt men in het Oud- en Middelnederlands het van → bede afgeleide werkwoord beden ‘bidden, belasten’ (< onl. bedon ‘bidden’ [10e eeuw; W.Ps.]). De -i- van bidden is wrsch. het gevolg van umlaut, die werd veroorzaakt door een erop volgende j (zoals got. bidjan ‘bidden’ < *bedjan). Omdat deze umlaut nogal vroeg is (ca. 200 na Chr.), moet men ervan uitgaan dat bedelen niet rechtstreeks van bidden is afgeleid, maar van een vorm met -e- (bijv. bedon of beden).
Mnd. bedelen ‘bedelen’; ohd. betalōn (mhd. betelen; nhd. betteln); nfri. biddelje.
In het Middelnederlands betekent bedelen meestal ‘(herhaaldelijk) bidden’, slechts een enkele maal wordt de betekenis ‘om een aalmoes vragen’ aangetroffen.
bedelaar zn. ‘iemand die bedelt’. Mnl. bedenlere [1240; Bern.], bedelaere, bedeleere ‘bidder, bedelaar’. Afleiding van het werkwoord bedelen met het achtervoegsel → -aar. Hier moet opgemerkt worden dat volgens Kluge het Duitse werkwoord betteln gevormd is op basis van het zn. Bettler (Oudhoogduits betalāri) en niet andersom, en dat de functie van het frequentatief bij Duits bitten secundair is. Frans bélître ‘waardeloos persoon’, ouder belleudre, is ontleend aan het Nederlands (NEW) of Duits.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

bedelen* [aalmoezen vragen] {1501-1525 in de betekenis ‘bidden, bedelen’; veel ouder is bedelare [schooier, ook: bidder] 1201-1250} iteratief van bidden [een verzoek doen, God aanroepen, bidden, bedelen].

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

bedelen ww. mnl. ‘bidden, bedelen’ (zelden), mnd. bēdelen, ohd. betalōn is een iterativum van bidden.

Bedelaar > fra. bélître ‘man van niets’; in 1408 belleudre (M. Valkhoff 58).

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

bedelen ww., mnl. bēdelen (zeldzaam, niet speciaal “bedelen”, maar ook “bidden”, hierbij bēdelâre m. “bedelaar, persoon die bidt”). = ohd. bëtalôn “bedelen” (nhd. betteln), mnd. bēdelen “bedelen” (bēdeler m. “bedelaar, persoon die bidt”). Iterativum van bidden.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

bedelen o.w., + Ohd. betalen (Nhd. betteln), frequent. van het zw. ww. *beden, Hgd. beten, dat denom. is van bede.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Aarts (2017), Etymologisch Dictionairke vaan ’t Mestreechs, Maastricht

bedele (ww.) om aalmoezen vragen; Sermoen euver de Weurd (18e eeuw) baijdelen, Middelnederlands bedelen <1348>.

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

bedel ww.
1. Geld, klere en kos vra om aan die lewe te bly. 2. Smekend vra. 3. (skertsend) Kollekteer, bv. vir liefdadigheid.
In bet. 1 en 2 uit Ndl. bedelen (al Mnl. in bet. 1, 1782 in bet. 2), die frekwentatiewe vorm van bidden ''n versoek doen, God aanroep, bid, bedel'. Bet. 3 het in Afr. self ontwikkel. Eerste optekening in Afr. in Patriotwoordeboek (1902).
D. betteln (9de eeu).

Thematische woordenboeken

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Bidden van den Voorgerm. wt. bheidh, bhidh = door smeeken of geweld bewegen; in ’t Lat. fido = ik vertrouw, dus: zich op iemand verlaten. Hierbij sluit zich aan de bet. van ’t Oudgerm. werkw. bîdan (Os. bidan) ons beiden = verwachten; de biddende verwacht immers, waarom hij bidt. Het woord bidden in de bet. van „God om iets smeeken” was oudtijds ook beden: „Joseph ende Maria souden te Jherusalem beden”. Hiervan het frequ. bedelen, waarvoor men vroeger ook bidden gebruikte: „Die, om zijn brood te bidden, moet dolen.”

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

bedelen ‘aalmoezen vragen; verzoeken’ -> Negerhollands beddel, bēdǝl, bēdl ‘aalmoezen vragen; verzoeken’; Berbice-Nederlands bedle ‘aalmoezen vragen; verzoeken’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

bedelen* aalmoezen vragen 1501-1525 [MNW]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut