Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

bedeesd - (beschroomd, verlegen)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

bedeesd bn. ‘beschroomd, verlegen’
Vnnl. bedeest ‘bevreesd’ [1561; WNT], bedaest [1573; Thes.], bedeest ‘angstig’ [1625; WNT]; nnl. bedeesd ‘beschroomd, verlegen’ [1735; WNT].
De oorspr. betekenis is ‘verdwaasd, ontzet, angstig’. Zoals de nevenvorm bedaest aangeeft, is het een verl.deelw. van *bedezen, een umlaut vertonende variant van *bedazen, afgeleid met → be- van het werkwoord → dazen ‘dwaas doen’, zie → daas 2.

EWN: bedeesd bn. 'beschroomd, verlegen' (1561)
ANTEDATERING: Ghy herten seer bedeest 'gij zeer angstige zielen' [1537; Joris, fol.17v]
[J. Luif (2010-2018), 'Oudere dateringen van woorden uit het EWN', in: Trefwoord (bewerkt)]

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

bedeesd* [verlegen] {1615} een umlautvorm naast bedaest {1567} vgl. middelhoogduits dæsic [in zichzelf gekeerd, dom], oudnoors dási [stumper] en, met korte a, dasask [moe worden], van een stam met a naast een met u, die ten grondslag ligt aan duizelen, beduusd, vgl. verder dwaas en daas2.

P.H. Schröder (1980), Van Aalmoes tot Zwijntjesjager, Baarn

bedeesd

In vroeger tijd kwam naast bedeesd ook de vorm bedaasd voor en die maakt het gemakkelijk in te zien dat bedeesd verwant is met daas en met het werkwoord dazen, twee woorden die weer familie zijn van dwaas. Dit stemt overeen met de oorspronkelijke betekenis van bedeesd, waaronder men vroeger namelijk verstond: verdwaasd, ontzet. Vondel zegt dat wie de beeltenis van Frederik Hendrik ziet, bedeesd zal sidderen. De vijand stond bedeesd betekende dan ook: de vijand stond verbijsterd. Later gebruikte men bedeesd ook voor angstig en dan voor: beschroomd, verlegen, de huidige betekenis.

Het werkwoord bedezen zelf komt niet voor, evenmin als beschromen, beruchten, belusten enz., waarvan beschroomd, berucht en belust zijn afgeleid.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

bedeesd bnw., eerst nnl.; daarnaast komt echter ook bedaest voor (Plantijn) en van deze vorm zal men moeten uitgaan; dan zijn te verbinden westf. dāske ‘babbelachtige vrouw’ en dāseken ‘leuteren’. Verder zijn aan te voeren: mhd. dæsic ‘stil, in zichzelf gekeerd, dom’, on. dāsi ‘stumper’, dæsa ‘iets geringschatten’ (met lange ā in de stam) en dan: on. dasast ‘vermoeid, uitgeput raken’, nnoorw. zwe. dasa ‘luieren, nde. dase ‘lui zijn’ (met ). Zie verder: dazen.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

bedeesd bnw., eerst nnl. De ê (Goereesch bədêist) is umlaut van wgerm. â. Plantijn geeft naast bedeest ook bedaest op. Verwante woorden hebben ā, bijv. westf. dāske “babbelachtige vrouw”, dās(e)ken “leuteren”. Het is moeilijk uit te maken of ndl. dazen en dial. daas, mnl. daes “dwaas” ā of â hebben en hoe gron. oostfri. bedest “bescheiden, schroomvallig, zacht” te beoordeelen is. Uit andere talen vgl: 1. met â (oergerm. ê): mhd. dæ̂sic “stil, in zich zelf gekeerd, dom”, on. dâsi m. “onbeduidende persoon, stumperd”, dæ̂sast “verkwijnen”; 2. met ă: zw. dial. dasa “luieren”, de. dase “rusten, niets uitvoeren”, on. dasast “afnemen, minder worden”. ’t Is opvallend, dat de basis (ðus- (zie dwaas, duizelen), die een dgl. bet. heeft als ðas-, veel gemakkelijker met niet-germ. vormen gecombineerd kan worden; ðas- zou desnoods met deren verwant kunnen zijn: wij moeten dan van een grondbegrip “slapheid, slap zijn” uitgaan (onwsch.).

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

bedeesd bijv., bij Plantijn bedaest + Mhd. dæsic, Nhd. dasig = stil, On. dási = stumperd, afgel. met e = ä van Mnl. daes, bijvorm van dwaas.

Thematische woordenboeken

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Bedeesd komt waarschijnlijk van een woord in ’t Nederduitsch däsig (spr. deezig), dat gedwee, stil, neerslachtig, bet.; vermoedelijk is ’t verwant met dwaas (in ’t Vlaamsch komt nog daas voor).

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

bedeesd ‘verlegen’ -> Vastelands-Noord-Fries bedeest ‘verlegen’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

bedeesd* verlegen 1615 [WNT wederom]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut