Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

bedding - (onderlaag waarop iets rust; tuinbed)

Etymologische (standaard)werken

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

bedding znw. v., afgeleid van bed bet. eigenl. ‘alles wat tot het bed behoort’, vgl. mnl. beddinghe ‘bedbenodigdheden’, zo nog dial. vlaams. Later alleen gebruikt voor het bed of de bedding van een rivier.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

bed znw. o., mnl. bedde o. = ohd. betti, beti o. (nhd. bett “bed”, beet “tuinbed”), os. bed(di), ofri. bed, ags. bedd (eng. bed) o. “bed”, on. beðr m. “peluw”, got. badi o. “bed”, germ. *ƀaðja-. De bet. “peluw” heeft ook het zeer vroeg ontleende finsche patja. Van de verschillende combinaties is die met kymr. bedd “graf”, lett. bedre “groeve”, lat. fodio, “ik graaf”, obg. bodą, bosti, lit. badaũ, badýti “steken”, bedù “ik graaf” het meest wsch. Of gr. bóthros, bóthūnos “groeve” hierbij hooren, is hoogst onzeker. De grondbet. van *ƀaðja- kan òf “groeve, kuil, hol” òf “uitgegraven aarde, bank van aarde” geweest zijn. — bedding znw. heeft nu de speciale bet. “rivierbed(ding)”, dial. (vla.) beteekent het “alles wat samen tot een bed behoort”, mnl. oudnnl. beddinghe v. = “bed, bedbenoodigdheden”.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

bedding s.nw.
1. (krygskunde) Hout- of betonvloer waarop die grofgeskut staan sodat dit nie kan wegsak nie. 2. (geologie) Plat opeenhoping van aardgesteente. 3. Grond- of rotsbodem van 'n stroom of watermassa. 4. (tuinbou) Akker. 5. Vloer of grondslag waarop swaar voorwerpe, masjiene, ens. staan. 6. Onderdeel waarop 'n klep rus.
In bet. 1 - 5 uit Ndl. bedding (1614 in bet. 1, 1769 - 1811 in bet. 2, 1786 - 1793 in bet. 3, 1788 - 1820 in bet. 4), 'n afleiding met -ing van bedden 'op 'n bed gaan lê, bed toe gaan'. Bet. 6 is 'n leenbetekenis van Eng. seat (1841).

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

bedding ‘onderlaag waarop iets rust; tuinbed’ -> Deens bedding, beding ‘scheepshelling; onderlaag (tegen water) voor last in het ruim; fundatie voor (anker)spil’; Noors bedding ‘scheepshelling; onderlaag (tegen water) voor last in het ruim; fundatie voor (anker)spil’ (uit Nederlands of Nederduits); Ambons-Maleis bèd ‘tuinbed voor kweking van jonge plantjes’; Kupang-Maleis bèdèng ‘tuinbed voor kweking van jonge plantjes’; Makassaars bêdeng ‘bloembed’; Menadonees bèdèng ‘tuinbed voor kweking van jonge plantjes’.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut