Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

bedaren - (tot rust (laten) komen)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

bedaren ww. ‘tot rust (laten) komen’
Mnl. als wederkerend werkwoord hem bedaren, in: Op dat een yghelic him bedare ‘opdat elk zich beheerse’ [1470-90; MNW-P]; vnnl. bedaren “tot sickselven komen” [1573; Thes.], bedarren (“Hollands, Fries”) ‘bekomen’ [1599; Kil.].
Afleiding met → be- van een woord waarvan de herkomst onduidelijk is. Kil. 1599 kent verdaeren (“Vlaams”) ‘verbaasd maken of worden’; hierbij hoort ook mnl. verdaert ‘verbijsterd’ [ca. 1350; MNW].
Nnd. bedaren; nfri. bedarje, bedaarje ‘bedaren’. Er zou verband kunnen bestaan met een wortel pgm. *das-/*daz- ‘onbewegelijk zijn of worden’. Hiermee te vergelijken is oe. darian (ne. verouderd dare ‘stil liggen, wegkruipen’) bij het bn. oe. dierne ‘verborgen’ (os. derni; ohd. tarni). Deze woordgroep is wrsch. verwant met → bedeesd en → daas 2.
Lit.: W. de Vries (1914) ‘Etymologische aanteekeningen’, in: TNTL 33, 143-149, hier 148

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

bedaren* [(zich) kalmeren] {hem bedaren [zijn hartstochten bedwingen, tot zichzelf komen] 1451-1500} nederduits bedaren, fries bid(e)arje. Verdere verbindingen zijn twijfelachtig; mogelijk verwant met bedeesd.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

bedaren ww., mnl. hem bedāren ‘zich beheersen, tot zichzelf komen’, nnd. bedāren, fri. bidearje, bidarje ‘bedaren’. Geen verdere verwanten. — Als zeemanswoord overgenomen in nhd. bedāren ‘rustig worden van de zee’ (sedert de 18de eeuw, vgl. Kluge, Seemannssprache 1911, 77), maar reeds vroeger in het dialect van de Weichselmonding als bedāren (Mitzka, Album Blancquaert 1958, 219-220).

FW 37 zoekt verwantschap met het bij Kiliaen overgeleverde verdaeren (nog. wvla. verdāren) ‘verbaasd maken of worden’. Dat voert op de groep van bedeesd en zou dan wijzen op een grondvorm *daz-. Daarom wil W. de Vries Ts. 33, 1914, 148 als grondbet. ‘beweegloos worden of zijn’ aannemen.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

bedaren ww., mnl. hem bedāren “zich beheerschen, tot zichzelf komen”. = ndd. bedāren, fri. bida(e)rje “bedaren”, ook “belanden”. Ndl. dial. (Zaansch) ook opdaren “bedaren”. Wellicht is dar- uit daz- ontstaan en is het woord verwant met de n.- en wgerm. basis dǎs-; zie bedeesd en vgl. voor de bet. wvla. verdar(i)en, Kil. verdaeren “verbaasd maken of worden”.

[Aanvullingen en Verbeteringen] bedaren. Als eemslandsch bədä̂rn geen leenwoord is, wijst ’t op â en niet ā. De afl. van mnd. dâr “passend, tunlich” (bij doen gebracht) is niet wsch., maar althans mogelijk.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

bedaren. Het door v. Wijk in de Aanv. genoemde eemslandse bǝdȧ̂rn is geen voldoende grond om â aan te nemen. De daar vermelde combinatie met mnd. dâr is te verwerpen, omdat van dit mnd. hapax legomenon de betekenis niet vaststaat.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

bedaren o.w., Mnl. id. = zich herstellen; vergel. Mnd. dâr, Mhd. dǣre = gepast, goed, Mhd. undǣre = ongemakkelijk, onaangenaam, Ohd. undâralîh = id.: verder niet op te sporen.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

bedaren ‘(zich) kalmeren’ -> Duits bedaren ‘afzwakken van wind, rustig worden’; Deens dialect bedare, bedage ‘(weer) opklaren, beter worden’ (uit Nederlands of Nederduits); Noors bedage ‘(wederkerend) beter worden (van weer), opklaren’ (uit Nederlands of Nederduits); Zweeds bedarra ‘afzwakken van wind’ (uit Nederlands of Nederduits); Papiaments † bedar, bedaru (ouder: bedaar) ‘zich kalmeren’; Sranantongo bedare ‘(zich) kalmeren’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

bedaren* (zich) kalmeren 1451-1500 [MNW]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut