Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

bed - (slaapplaats; gewasgrond)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

bed zn. ‘slaapplaats; gewasgrond’
Onl. bedde ‘slaapplaats’ [ca. 1100; Will.], en bete- in de samenstelling betekamere ‘slaapkamer’ [10e eeuw; W.Ps.]; mnl. bedde ‘slaapplaats’ [1240; Bern.]; vnnl. Een beddeken bezaeyt met violieren ‘een tuinperk vol violieren’ [midden 16e eeuw; WNT].
Os. beddi; ohd. betti (nhd. Bett ‘slaapplaats’, Beet ‘tuinbed’); ofri. bed(d) (nfri. bêd); oe. bedd (ne. bed); on. beðr; < pgm. *badja- ‘bed’ (waaruit ook Fins patja ‘veren bed’).
Eventueel afgeleid van een pie. *bhodh- waarbij ook Latijn fodere ‘(uit)graven’ hoort (zie → fouilleren), wat een gelijkstelling van mensenbed en dierenleger als uitgegraven slaapplaats impliceert; dit is op socio-historische gronden door NEW afgewezen, maar is goed mogelijk voor het tuinbed. Misschien is het tuinbed echter een overdrachtelijke betekenis.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

bed* [slaapplaats] {bedde 1201-1250} oudsaksisch bed(di), oudhoogduits betti, oudfries bed, oudengels bedd, oudnoors beðr [peluw], gotisch badi; buiten het germ. zijn geen zekere verwanten gevonden, maar over het algemeen denkt men aan latijn fodire [graven], welsh bedd [graf], waarbij men ervan uitgaat, dat men aanvankelijk in een kuil sliep. De veronderstelling van verwantschap met bad, een verwarmde slaapplaats dus, is ook geopperd.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

bed znw. o., mnl. bedde, os. beddi, bed, ohd. betti, beti, ofri. bed, oe. bedd, ‘bed’, on. beðr ‘kussen, vederbed’ (daaruit finn. patja ‘kussen, peul’), got. badi ‘bed’. — Buiten het Germaans zijn er geen verwante woorden, hetgeen de verklaring bemoeilijkt.

Gewoonlijk plaatst men het woord bij lat. fodio ‘graven’, osl. boda, bosti, lit. badau, badýti ‘steken’ en kymr. bedd ‘graf’ (H. Posch, WS 16, 1934, 4-16). In dit geval moet men uitgaan van een bet. ‘in de grond gegraven gat of het uitgegraven nest van een dier’, waarvoor zie nnoorw. dial. bed en zw. bædil (R. Meringer IF 19, 1906, 448). Dat is hoogst onwaarschijnlijk; de mens heeft zijn slaapplaats zeker niet naar het leger van een dier benoemd; een zo primitief leven, dat men sliep in gaten, die in de bodem uitgegraven waren was reeds in idg. tijd overwonnen en een woord, dat uitsluitend germ. is, kan op dergelijke primitieve toestanden, zo die er ooit waren, niet betrokken worden. De wisseling van de bet. ‘bed’ en ‘graf’ (vgl. kymr. bedd) is te verklaren uit religieuze beschouwingen, die de nauwe verwantschap van slaap en dood tot uitgangspunt hebben. — Er is daarom eerder reden het woord *baðja te verbinden met *baða (zie: baden) en als men er van uit gaat dat men van een bet. ‘warm bad’ moet uitgaan, dan zou ook bed ‘de plaats waar men het warm heeft’ zijn (zie ook V. Pisani, Padeia 13, 1958, 193).

bed [Aanvullingen De Tollenaere 1969]: zie Ts 85, 229 [1969].

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

bed znw. o., mnl. bedde o. = ohd. betti, beti o. (nhd. bett “bed”, beet “tuinbed”), os. bed(di), ofri. bed, ags. bedd (eng. bed) o. “bed”, on. beðr m. “peluw”, got. badi o. “bed”, germ. *ƀaðja-. De bet. “peluw” heeft ook het zeer vroeg ontleende finsche patja. Van de verschillende combinaties is die met kymr. bedd “graf”, lett. bedre “groeve”, lat. fodio, “ik graaf”, obg. bodą, bosti, lit. badaũ, badýti “steken”, bedù “ik graaf” het meest wsch. Of gr. bóthros, bóthūnos “groeve” hierbij hooren, is hoogst onzeker. De grondbet. van *ƀaðja- kan òf “groeve, kuil, hol” òf “uitgegraven aarde, bank van aarde” geweest zijn. — bedding znw. heeft nu de speciale bet. “rivierbed(ding)”, dial. (vla.) beteekent het “alles wat samen tot een bed behoort”, mnl. oudnnl. beddinghe v. = “bed, bedbenoodigdheden”.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

bed o., Mnl. bedde, Os. bed(di) + Ohd. betti (Mhd. bette, Nhd. bett), Ags. bed (Eng. bed), Ofri. bed, On. beđr (Zw. bädd. De. bed), Go. badi + Lat. fodere = graven, We. bedd = graf, Lit. bedù = graven, Lett. bedre = groeve; dus = gegraven leger; vergel. tuinbed.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Aarts (2017), Etymologisch Dictionairke vaan ’t Mestreechs, Maastricht

bèd (zn.) slaapplaats; Aajdnederlands bedde <1100>.

J. van Donselaar (1989), Woordenboek van het Surinaams-Nederlands, Muiderberg

bed (het, -den), (ook:) op een plantage* (A.1) de kleinste eenheid, rechthoekig en van vaste afmetingen, deel van een tuin* (veld* of stuk*), aan de lange zijden begrensd door een kleine trens*. Verder is de plantage* ingedeeld in stukken*; elk stuk is 10-15 akker* groot, en is tevens ten opzichte van de loozing een eenheid. Deze stukken zijn verdeeld in bedden, ter lengte van 5 ä 8 ketting* (100 à 160 M) en ter breedte van ± 30 voet () (Enc.NWI 569). - Etym.: Ook in Ned., o.m. in de tuinbouw, een afgeperkt stuk grond met één gewas; het hoeft geen standaardafmeting te hebben (WNT 1898). Oudste vindpl. Blom 1786.

Thematische woordenboeken

P.G.J. van Sterkenburg (2001), Vloeken. Een cultuurbepaalde reactie op woede, irritatie en frustratie, 2e druk, Den Haag

bed. De verwensing val uit je bed! moet meestal niet letterlijk opgevat worden. Zij wordt gebruikt in geval van stress en frustratie en staat dicht bij je kunt me wat!, je kunt me gestolen worden! Zij drukt minachting e.d. uit. → vallen.

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Bed komt waarschijnlijk van den Idg. wt. bhed, bhodh = woelen, omwroeten, graven. Het herinnert nog aan den tijd, toen de menschen hun slaapplaatsen in den grond uitgroeven (vgl. ook een bed in den tuin), of wel het is bij overdracht aan het leger der dieren ontleend, zooals men in de platte volkstaal nog wel van nest spreekt. – Bij de oude Kimberen was bedd ook graf; vgl. nog hunebed (reuzenbed).

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

bed ‘slaapplaats’ -> Fries bêd: nei bêd gean ‘naar bed gaan’; Frans dialect bedde ‘matras’; Xhosa bhedi ‘slaapplaats’ (uit Afrikaans of Engels); Zoeloe bhede ‘slaapplaats’ (uit Afrikaans of Engels); Zuid-Sotho bethe ‘slaapplaats’ (uit Afrikaans of Engels); Indonesisch béd ‘slaapplaats’; Mohegan-Pequot beed ‘slaapplaats’ (uit Nederlands of Engels); Negerhollands bet, bēdē, bedi, bere, bêrê, bedde ‘slaapplaats’; Berbice-Nederlands bedi ‘slaapplaats’; Skepi-Nederlands bede ‘slaapplaats’; Papiaments † bed ‘slaapplaats’; Sranantongo bedi ‘slaapplaats’ (uit Nederlands of Engels); Saramakkaans bédi ‘slaapplaats’; Karaïbisch bedi ‘slaapplaats’ ; Sarnami bedi ‘slaapplaats’; Surinaams-Javaans bèḍi ‘slaapplaats’ ; Creools-Engels (Maagdeneilanden) † bedi ‘slaapplaats’ .

bed ‘tuinbed’ -> Makassaars bêdeng ‘groentebed’; Papiaments bèt, bèchi, bèrchi ‘tuinbed (bij het kweken van gewassen)’; Sranantongo bedi ‘tuinbed’; Surinaams-Javaans bèt ‘tuinbed’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

bed* slaapplaats 1100 [Willeram]

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

173. Met het verkeerde (of het linker-) been uit het bed stappen,

d.w.z. slecht gehumeurd zijn; zijn (zachte) hemd verkeerd aanhebben (17de eeuw); ook hij is met het linkerbeen uit het bed gestapt, dat we met een kleine variatie lezen in de Gew. Weuw. II, 7: 'K ben links opgestaan, dan ben ik wat baloorig, dat nog in Holstein luidt: He is mit dat linker Been toerst ut dem Bedde komen (Taalgids IV, 279); of verkeerd opstaan (in Snorp. 33); averechts opstaen (Coster, 29 vs. 573); vgl. ook in het lat. sinistro pede profectus (wat als slecht voorteeken werd beschouwd; Journal 361); zie verder Taalgids IV, 279; Volkskunde XXIV, 151; Nkr. I, 15 Sept. p. 2; VII, 6 Dec. p. 2: Wat scheelt er aan, man? Ben je met het linkerbeen uit bed gestapt? Allerz. 75: Stap jij nou nooit is met je goeie been uit bed? en Fri. Wdb. I, 94 b: Mei de forkearde foet fen 't bêd ôf komme: Teirl. 108: Mee zij' slenk been uit 't bedde stappen of opstaan. Synoniem is het bij Sart. IV, 10, 62 voorkomende: Hy heeft sijn hemdt verkeert aen, competit in hominem concitatiorem ac rixosum. Vgl. fr. se lever le cul, le derrière le premier (in 't Land van Waas: met zijn gat eerst opgestaan zijn); se lever du pied gauche; hd. mit dem linken Bein zuerst aufstehen; eng. to get (or go) out of bed the wrong foot foremost.

2309. Zich niet uitkleeden voor men naar bed gaat,

d.w.z. zijn geld, zijn geheele vermogen niet weggeven of verdeelen vóór zijn dood. De meening, dat men zulks niet moet doen, wordt aangetroffen in Sirach, XXXIII, 20-25; vgl. verder Cats I, 498: Niemant en ontkleet sich gaern, eer hy slapen gaet; bl. 500:

 Onthout dit, waerde vrient! het is een wijse raet:
 Ontkleet u nimmermeer eer dat gy slapen gaet.

Het spreekwoort wil seggen, dat men niet al sijn middelen aen kinderen of vrienden moet oversetten, eer men komt te sterven. Zie verder De Brune, 147: Ontkleeden eer men slapen gaet, dat is voor-waer gheen wijzen raed; Tuinman I, 95; Harreb. I, 35; III, 69; Kmz. 91; Nkr. I, 15 Sept. p. 2: Zijn vader behoorde tot die lieden die hun rok niet uittrekken voor ze naar bed gaan; Heyermans, Ghetto, 19: Centen? centen? Ik klee me niet uit voor 'k naar bed ga; bl. 20: Hij wil zich niet uitkleejen voor die naar bed toe gaat en 'n ander zet-ie 't mes op de keel; Rutten, 241: Men mag zich niet uitdoen eer men slapen gaat; Tuerlinckx, 646; Antw. Idiot. 1289: Zijn eigen uitkleeden eer dat men gaat slapen; fr. il ne faut pas se déshabiller avant de se coucher; oostfri. man sal sük nêt êrder ûttrekken as man na bedde geit (Dirksen I, 101). Voor het Nd. zie Taalgids V, 152.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut