Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

baviaan - (aap van het geslacht Papio)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

baviaan zn. ‘aap van het geslacht Papio
Mnl. baubijn ‘aap met lange staart’ [1450-1500; MNW], bobijn, ook eenmaal bakumijn [1450-1500; MNW], babuinen (mv.) ‘apen’ [1462; MNW-P]; vnnl. bauiaen, bauiaenken (verkleinwoord) [1573; Thes.], babiaen [1617; WNT].
Ontleend aan frans babouin ‘aap’ [14e eeuw] (waaruit ook Engels baboon ‘baviaan’; Italiaans babbuino), eerder al ‘domoor, grotesk dier’ [1218-25; Rey], bij baboue ‘hangmuil, snoet’, bij de brabbelvorm *bab- ‘lippen’, zie ook → ba 1. Hiernaast is ook samenhang met Provençaals babau ‘domkop’ voorgesteld. De Vroegnieuwnederlandse vormen zijn gevormd met een ander achtervoegsel als gevolg van suffixsubstitutie.
De Middelnederlandse vormen baubijn en bakumijn zijn wrsch. verschrijvingen van *babuyn en *babuwijn: de b- verschijnt bijv. in middeleeuws Latijn babuynus, Oudfrans babouin; Italiaans babbuino).
Aan mnl. baviaen, babiaen zijn ontleend Vroegnieuwhoogduits bavian [1476] (nu Pavian) en Zweeds babian. Uit de vroege ontlening door het Duits blijkt dat de vorm baviaen al in de 15e eeuw in het Middelnederlands aanwezig moet zijn geweest, hoewel hij niet is geattesteerd. Afrikaans bobbejaan is geëvolueerd uit mnl. *bobiaan, *babiaan.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

baviaan [apengeslacht] {bauiaen(ken) 1573, vgl. baubijn 1451-1500} < frans babouin, van babine [hanglip (van dieren)], verwant met babiller [babbelen], babil [gebabbel], en daarnaast baboue [lelijke snuit], beide klankschilderend gevormd → bavet.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

baviaan znw. m., mnl. baubijn, bobijn; later veranderd onder invloed van woorden als roffiaen ‘koppelaar’, vgl. nog bij Vondel babiaen < fra. babouin, in de 13de eeuw nog in de betekenis van ‘domkop’, afgeleid van baboue hangmuil, snoet’. — Uit ndl. > vroegnhd. bavian, nu pavian.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

baviaan znw. In de 16. eeuw opgekomen naast babiaen (o.a. bij Vondel, nog in Zuid-Afrika babejaan, bobbejaan), dat evenals mnl. baubijn, bobijn blijkbaar uit *babuwijn m. is vervormd. Dit gaat evenals eng. baboon op fr. babouin (= it. babbuino) terug. Het rom. woord komt sedert de 13. eeuw voor; het wordt verschillend verklaard. De ndl. v is misschien door dissimilatie ontstaan. De uitgang -iaan is onder invloed van woorden als mnl. oudnnl. roffiaen m. “koppelaar, schandbrok”, corliaen m. “kinkel, lompe kerel” gesubstitueerd. Oudnhd. bavian, nhd. pavian m., de. ouder-zw. bavian (zw. babian) worden voor ontll. uit het Ndl. gehouden.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

baviaan m., ouder babiaen, met suffixverwisseling uit Mnl. babuwijn of babuyn: dit gelijk Eng. baboon uit Fr. babouin dat met It. babbuino teruggaat op Turk. maimun = baviaan. Mnl. baubijn is misschreven voor babuyn evenals Mnl. bakuwijn voor babuwijn.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Debrabandere (2010), Brabants etymologisch woordenboek: de herkomst van de woordenschat van Antwerpen, Brussel, Noord-Brabant en Vlaams-Brabant, Zwolle

babbejaan, babbeljaan, baviaan, zn.: babbelaar. Mnl. baubijn ‘aap met lange staart’, Vnnl. 1573 baviaen, 1617 babiaen ‘aap’, vgl. Afrikaans bobbejaan, Vnhd. bavian, Zw. babian. Uit Fr. babouin ‘aap’ < baboue ‘hangmuil, snoet’, babine ‘hanglip’, bij de bakervorm *bab- ‘lippen’. Verwant met babiller ‘babbelen’. Deze etymologische betekenis van het woord zal wel niet hebben doorgewerkt in het Leuvense woord. Veeleer is babbejaan ‘aap’ geassocieerd met ‘babbelen’, vandaar de var. babbeljaan (in Asse).

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

bobbejaan: – (veral in plekn.) baviaan/bawiaan/(plat) bojaan – , spp. Papio, fam. Simiidae, reeds Ll. babewynus/baboynus/babuynus en wsk. langs dié weg in 13e eeu in Rom. tale (It., Prov. en Fr.) wu. o.a. Mnl. baubijn/bobijn (Verc ook babuwijn/babuyn en verkl. baubijn en bakuwijn ondersk. as skryffoute v. babuyn en babuwijn – let op vorme met -wijn en vgl. aalwyn en pikkewyn), 17e-eeuse Ndl. babiaen/baviaen met -iaen na anal. v. kontemporêre roffiaen, Nnl. baviaan, Hd. (vroeër) bavian, (later) pavian, Eng. baboon (Meng. babewin); Germ. tale kon die wd. via Fr. babouin of It. babbuino gekry het – tot sover betr. eenstemmigheid; vlgs. sommige verdere voorgesk. onseker, ander bring Fr. babouin in verb. m. baboue, “grimas” of “snoet” en weer ander m. Prov. babau, “domkop”; mntl. was It. die skakel verderop, want dit het in gatto-maimone, “kataap”, die vorm maimone wat aansl. by (Arab., Pers. of Tur.?) maimun, “aap” (Hob-Job en Lok, deur etlike etim. aanvaar) – vir o in Afr. vgl. Mnl. bobijn en ouer vorme v. tabak (q.v.).

Thematische woordenboeken

M. De Coster (2007), Groot scheldwoordenboek: van apenkont tot zweefteef, Antwerpen

baviaan: lelijke, domme, onhandige vent. Als scheldwoord vooral in Vlaanderen populair. Soms ook van toepassing op vrouwen, bijvoorbeeld in de gedichten van P.C. Hooft: ‘Siet dese baviaen, wat heb ick hier veur rancken? Sel ick jou, denck ick, reen gheven van mijn bedrijf?’ Stelletje bavianen is ook een geliefde schimpscheut van kapitein Haddock in de Kuifje-stripverhalen.

Al kwam er ook een baviaan om haar complimentjes te maken, zij luisteren en steken haar handjes uit. (De Groene Amsterdammer, 04/10/1896)
Godzegenje, wat had die vent toch een haar op z’n bast. Een kokosmat, waar je je handen wond op kon slaan. Nou, maf ze maar, lelijke baviaan… (Piet Bakker, De slag in de Javazee, 1951)

E. Sanders (1997), Borrelwoordenboek: 750 volksnamen voor onze glazen boterham, Den Haag

baviaan In de eerste helft van deze eeuw gehoord in Gent, voor ‘dubbele borrel’. De naam is bij wijze van grap ontstaan uit een oudere borrelnaam, te weten marteko. Marteko of martiko was in Vlaanderen voorheen de gangbare term voor ‘jong aapje’. Sinds 1881 werd dit woord in Gent echter ook gebruikt voor ‘(kleine) borrel’. De baviaan is een grote aap. Vandaar de overgang naar grote of ‘dubbele borrel’.
Vergelijk aap.

[Liev.-Coopm. 136]

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

baviaan ‘hondsaap’ -> Duits Pavian ‘hondsaap’; Deens bavian ‘hondsaap; brutaal persoon; persoon die de wacht houdt op schip’; Noors bavian ‘hondsaap; brutaal persoon; wacht op een schip als de rest van de bemanning gaat passagieren’ (uit Nederlands of Nederduits); Zweeds babian ‘hondsaap; scheldwoord; persoon die de wacht houdt op schip’ (uit Nederlands of Duits); Fins paviaani ‘hondsaap’ ; Tsjechisch pavián ‘hondsaap’ ; Slowaaks pavián ‘hondsaap’ ; Pools pawian ‘hondsaap’ (uit Nederlands of Duits); Kroatisch pavijan ‘hondsaap’ ; Macedonisch pavijan ‘hondsaap’ ; Servisch pavian ‘hondsaap’ ; Russisch pavián ‘hondsaap’ ; Bulgaars pavian ‘hondsaap’ ; Oekraïens pavián ‘hondsaap’ ; Lets paviāns ‘hondsaap’ (uit Nederlands of Duits); Litouws pavianai ‘hondsaap’ (uit Nederlands of Duits); Hongaars pávián ‘hondsaap’ ; Zuid-Afrikaans-Engels baviaan ‘hondsaap’; Berbice-Nederlands babiana ‘hondsaap’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

baviaan hondsaap 1573 [Claes Tw. 11] <Frans

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut