Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

bastaard - (onwettig kind, rasloos dier)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

bastaard zn. ‘onwettig kind, rasloos dier’
Mnl. lamberts stic basterds ‘het deel van Lambert de onwettige’ [1273; CG I, 250], Hannijn fransois de bastart ‘Hannijn fransois de onwettige’ [1276; CG I, 322], bastarde (mv.) ‘dieren van gemengd bloed’ [1287; CG II, Nat.Bl.D]. In samenstellingen ook met de algemenere betekenis ‘onzuiver’, zoals in basterdsuiker ‘minder zuiver, niet-gekristalliseerd soort suiker’ [1793; WNT uitd-], ook wel bastaardsuiker; en bastaardwoord ‘vreemd woord dat bijv. in uitspraak of spelling vernederlandst is’, als simplex nog vnnl. basterd [1584; Twe-spraack], daarna bastaardwóórt [1653; Leupenius].
Ontleend aan Oudfrans bastard (Nieuwfrans bâtard), wrsch. gevormd met het achtervoegsel -ard bij een onbekend woord bast. In het Frans bestaat ook fils de bast ‘bastaardzoon’, dat men uit bast ‘pakzadel’ verklaart (vergelijkbaar met mnl. basture ‘hoer, lichtekooi’ (MNW)). De muilezeldrijvers sliepen in herbergen op hun pakzadels, soms in het gezelschap van dienstmeiden; de betekenis zou dan zijn ‘vrucht van een (buitenechtelijke) gemeenschap’, ‘wat op het pakzadel verwekt werd’. Het is dan echter vreemd dat de term bastard ook voor hooggeplaatste personen werd gebruikt, bijv. voor Willem de Veroveraar (1027-1087). Daarom lijkt een andere verklaring waarschijnlijker: het woord zou als juridische term stammen uit de taal van de Frankische veroveraars, met een achtervoegsel -ard dat teruggaat op Germaanse persoonsnamen op -hard ‘hard’, zie → -aard. De exacte herkomst van pgm. *bast- is echter niet zeker, al wordt er gedacht aan *banst- ‘schuur’ (zoals in Gotisch bansts ‘id.’), dat eventueel ook ten grondslag kan liggen aan het bovengenoemde fils de bast. Het verdwijnen van de -n- is dan moeilijk te verklaren, aangezien men in dat geval *bōst- zou verwachten, zoals in Zeeuws boest ‘schuur’, zie → boes. Een derde mogelijkheid is verwantschap met de naam van de Germaanse stam der Bastarnen. Die zouden zo genoemd zijn omdat ze zich tijdens de volksverhuizingen met andere stammen vermengd hadden. Nog een andere hypothese gaat uit van Italiaans bastardo ‘wilde loot’ bij Latijn bastum ‘staaf, stok’ (zie → baton). Ten slotte heeft men Oudfrans bastard als oud leenwoord van Iraanse oorsprong willen verklaren: ‘kind van mensen die gepakt en gezakt reizen’, bij Ossetisch bast ‘bundel’ en -ard, verl.deelw. van aryn ‘baren’. Van al deze hypotheses lijkt herkomst uit bastum ‘staaf, stok’ met een oorspr. betekenis ‘wilde loot’ het waarschijnlijkst. Het is dan een overdrachtelijke betekenis ‘buitenechtelijk kind’ van ‘loot’.
Lit.: J. Knobloch (1984) ‘Bastarnen und Bastarde’, in: Balkansko ezikoznanie 27, 57 e.v.; H. Schuchardt (1909) ‘Romanisch bast ’, in: Zeitschrift für romanische Philologie 33, 339-346; E. Dick (1993) ‘Bast und Bastard: ein Versuch zu einer unerklärten Wortgruppe’ in: B. Brogyanyi e.a. Comparative-Historical Linguistics, Indo-European and Finno-Ugric (= Current Issues in Linguistic Theory 97) Amsterdam, 307-340; Ruijsendaal 1989 en 1991

EWN: bastaard zn. 'onwettig kind, rasloos dier' (1273)
ANTEDATERING: onl. in de toenamen van Theodericus Bastarh 'Diederik Bastaard' en Tideric Bastart 'id.' [1190 en 1196; ONW]
[J. Luif (2010-2018), 'Oudere dateringen van woorden uit het EWN', in: Trefwoord (bewerkt)]

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

bastaard [onwettig kind, rasloos dier] {bastaert 1273} middelnederduits bastert, middelhoogduits bast(h)art, oudfries basterd, middelengels bastard, oudnoors bastarðr < oudfrans bastard < middeleeuws latijn bastardus [verwekt op een pakzadel, bastaard, onzuiver], afgeleid van bastum, basta (modern frans bât) [pakzadel], teruggaand op grieks bastazein [optillen, dragen]; een andere verklaring wijst op samenhang met gotisch bansts [schuur] en ‘bastaard’ zou dan betekenen: ‘in een schuur verwekt’. Voor het achtervoegsel vgl. -aardbatman.

P.H. Schröder (1980), Van Aalmoes tot Zwijntjesjager, Baarn

bastaard

Het oudfranse bastard is het eerst gebruikt met betrekking tot Willem de Veroveraar, die een onechte zoon was van Robert II. Men kende ook de vorm fils de bast: bastaardzoon. Het woord bast is in verband gebracht met het Italiaanse basto dat: pakzadel betekent. Daarbij heeft men in herinnering gebracht dat de muildierdrijvers van Provence en Spanje in de herbergen om geld te sparen hun zadel wel als bed gebruikten. Uit de betekenis: pakzadel gebruikt als bed, zou zich die van: onwettig huwelijk hebben ontwikkeld. Terecht is daartegen het bezwaar ontwikkeld dat de oorspronkelijke betekenis van: vorstenkind dat niet bij de wettige vrouw is gewonnen, op deze wijze niet genoegzaam wordt verklaard.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

bastaard [Aanvullingen De Tollenaere 1969]: zie ook E. Polomé, RBPhH 44, 108 [1966] en F. de Tollenaere, Ts 228-229 [1969].

bastaard znw. m., mnl. bastaert, evenals mnd. bastert, mhd. bast(h)art, ofri. basterd, me. bastard, laat-on. bastarðr < ofra. bastard (nfr. bâtard), waarvoor vroeger gebruikt werd fils de bast ‘onwettig kind’, oorspr. een rechtsterm voor de ‘zoon van een edelman bij een bijzit, dat echter wettig als kind erkend is’.

De verklaringen zijn onzeker: 1. van fra. bât ‘pakzadel’, ofra. bast, ital. basto, mlat. bastum, waarbij men aanvoert, dat soms muilezeldrijvers van de Provence en Spanje hun zadels als bed gebruiken; geheel onwaarsch. — 2. ital. bastardo als ‘wilde loot’ verklaard, en vulg. lat. *basto ‘stok’ (Schuchardt, ZfrPh 33, 1909, 345) is ook af te wijzen. — 3. Kluge-Mitzka 55 nemen aan, dat ofra. bast ‘gemengd huwelijk’ uit het germ. zou stammen, waarop de naam van de stam der Bastarnen zou wijzen, die zich zeer met andere volkeren vermengd hadden. (Tacitus, Germania c. 46). Maar deze hypothese van R. Much onderstelt een nergens overgeleverd germ. woord *bast met deze betekenis, die dan weer uit de naam van de stam afgeleid wordt.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

[Aanvullingen en Verbeteringen] bastaard. Een ook onzekere hypothese leidt ofr. bastard, it. bastardo met de ospr. bet. “wildling, wilder schössling” van laat-lat. bastum “loot, uitspruitsel”af.

bastaard znw., mnl. bastaert (d) m. Evenals mhd. bast(h)art (nhd. bastard), mnd. bastert, ofri. basterd m. meng. (eng.) bastard (waaruit laat-on. bastarðr m.) uit ofr. bastard (fr. bâtard) (= it. bastardo, mlat. bastardus). Uit het Duitsch komt po. baster, oudpo. bastrak, hieruit wruss. bastr'á, bajstrúk, en daaruit weer lit. bõstras, bostrukė. Het woord is ’t eerst gebruikt van Willem den Veroveraar, den bastaardzoon van den normandischen hertog Robert II (2de helft 11. eeuw). Ofr. bastard bestaat uit bast + het suffix -ard (zie -aard II). Dit bast komt ook voor in ofr. fils de bast “bastaardzoon”. De oorsprong van bast-ard, fils de bast is onzeker; wsch. is ’t het oudst in ’t Noordfr. Men heeft dit bast met ofr. bast, it. basto, mlat. bastum “pakzadel” geïdentificeerd, er op wijzend, dat de muildierdrijvers van Provence en Spanje in herbergen hun zadels wel als bed gebruikten: de bet. “onwettig huwelijk” zou zich uit die van “pakzadel voor bed gebruikt” ontwikkeld hebben: evenwel was dit op pakzadels slapen geen algemeene muildierdrijversgewoonte en ook wordt zoò de bet. van bastard, fils de bast “vorstenkind, niet bij de wettige vrouw gewonnen” niet voldoende verklaard. Het nnl. bankaard (zeldzaam), laat-mhd. bankart, banchart (nhd. bankert), mnd. bankhart m. “bastaardkind” is onder invloed van bastaard ontstaan, blijkens ’t suffix.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

bastaard m., gelijk Eng. en Hgd., uit Fr. bastard, bâtard, wel met suff. -aard van bast = zadel, daar de muilezeldrijvers in Spanje en de Provence hunne zadels tot bedden gebruikten (z. bast en bankaard).

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

1baster s.nw.
1. (minder gebruiklik) Kind wat nie uit 'n wettige huwelik gebore is nie. 2. Iets wat van die gewone soort afwyk. 3. (dierkunde) Dier wat uit verskillende, maar verwante soorte diere ontstaan het. 4. (rassisties; neerhalend) Iemand van gemengde afkoms. 5. (skertsend) Afstammeling van ouers wat aan twee volke behoort. 6. Soort Kaapse vis.
In bet. 1, 2 en 3 uit Ndl. bastaard (al Mnl. in bet. 1, 1864 in bet. 3). In bet. 4 uit Eng. bastard (1790). Bet. 5 en 6 het in Afr. self ontwikkel, in bet. 5 wsk. n.a.v. die bet. 'iemand van gemengde afkoms' en in bet. 6 mntl. n.a.v. die bet. 'dier wat uit verskillende, maar verwante soorte diere ontstaan het' of 'iets wat van die gewone soort afwyk'. Eerste optekening in vroeë Afr. in 1744 (Scholtz 1972: 114), waarna in Afr. by Postma (1896) in die samestellings Baster Afrikaander en baster Boerbok.
D. Bastard (13de eeu), Fr. bâtard. Vanuit vroeë Afr. in S.A.Eng. (1786 in bet. 4).

2baster ww.
Plante of diere kruisteel.
Afleiding van baster (1baster 3).

3baster b.nw.
Min of meer, taamlik, ampertjies, nogal.
Afleiding van baster (1baster 3, 4 of 5), mntl. ter aanduiding daarvan dat, soos wat 'n baster nie heeltemal suiwer is nie, die b.nw. ook gebruik word om iets mee te kwalifiseer waaroor nie volkome sekerheid bestaan nie.

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

baster: “oneg” (by mense “nie uit wettige huwelik gebore nie”; by diere “uit vermenging v. versk. maar verw. soorte geteel”; by plante “deur kruising v. ongelyksoortige plante gekweek”); Ndl. bastaard/basterd (Mnl. bastaert), Hd. en Eng. bastard via Ofr. bastard (Fr. batard), It. bastardo, Ll. bastardus; blb. van vroeg 18e eeu in Ndl. (misk. iets later in Afr.) gebr. by naamgewing aan diere en plante (Scho PD 80 en TWK/NR 7, 1, p. 28); ’n besondere sem. ontw. is byv. en byw. gebr. in het. “min of meer; taamlik; wat hom voordoen as”, bv. die meisie is ’n baster seun; dit is baster warm, ens. (WAT en Kern WFA 54).

Thematische woordenboeken

M. De Coster (2007), Groot scheldwoordenboek: van apenkont tot zweefteef, Antwerpen

bastaard: minderwaardig persoon. Eigenlijk: onwettig kind. Komt van het middeleeuws Latijnse bastardus (verwekt op een pakzadel; bastaard; onzuiver), een afleiding van bastum (pakzadel). Vgl. hoerenjong*. In Amerikaans slang wordt een bastaard een goose egg genoemd.

‘En jij bent een verd... bastaard,’ zei Jakin, die zelf nooit van een vader of moeder, of iets van dien aard, gehoord had. (De Groene Amsterdammer, 16/09/1894)
Ik kan het, zeg ik jullie, bastaards, ik kan het. (Hugo Claus, De verwondering, 1962)

Nicoline van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

bastaard (Oudfrans bastard)
Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

bastaard ‘onwettig kind; rasloos dier’ -> Duits Baster, Bastaard ‘persoon van gemengde etnische herkomst, m.n. lid van het mengvolk Rehoboth’ ; Zuid-Afrikaans-Engels bastard ‘persoon van gemengde etnische herkomst’ ; Zuid-Afrikaans-Engels Baster ‘lid van het mengvolk Rehoboth’ ; Indonesisch bastar ‘onwettig kind; rasloos dier’; Negerhollands bastǝrt ‘onwettig kind’ (uit Nederlands of Engels); Sranantongo basra ‘onwettig kind’ (uit Nederlands of Engels); Saramakkaans bása ‘onwettig kind’; Creools-Engels (Maagdeneilanden) bastard ‘wilde plant die lijkt op een bepaalde soort’ (uit Nederlands of Engels).

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

bastaard onwettig kind, rasloos dier 1273 [CG I1, 250] <Frans

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut