Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

bast - (binnenste boomschors)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

bast zn. ‘binnenste boomschors’
Mnl. bast ‘schors’ in de uitdrukking niet een bast ‘volstrekt niet’ [1290; CG II, En.Cod.], bast ‘boomschors’ [1340-60; MNW-R]; vnnl. van schorsse oft bast van Boecke-boomen ‘van schors of bast van beukebomen’ [1628; WNT].
Os. bast, ohd. bast (mhd. bast, nhd. Bast); nfri. bast; oe. bæst ‘binnenste boomschors waar touw van wordt gemaakt’ (me. bast ‘binnenste schors van de linde’ [1296]; ne. bast); on. bast (nzw. bast); < pgm. *basta- ‘schors’; bij deze wortel ook → bastion.
Tot voor kort werd het woord meestal verbonden met Latijn fascis ‘bundel’ (zie → fascisme), maar dit verband is zeer onzeker. Misschien hoort het bij pie. *bhos-o- ‘naakt’ (zie → baar 5). Dick (1993) denkt aan een afleiding uit pie. *bhes- ‘schaven, afsnijden’, vanwege de verwerking van bast in vroeger tijden, maar ook dat is niet zeker. NEW oppert de mogelijkheid dat een niet-Indo-Europees substraat de vormen beïnvloed heeft of er zelfs aan de basis van ligt, wat voor een woord in het betekenisveld ‘boom’ en de beperkte verspreiding waarschijnlijk is.
Lit.: H. Schuchardt (1909) ‘Romanisch bast ’, in: Zeitschrift für romanische Philologie 33, 339-346; E. Dick (1993) ‘Bast und Bastard: ein Versuch zu einer unerklärten Wortgruppe’ in: B. Brogyanyi e.a. Comparative-Historical Linguistics: Indo-European and Finno-Ugric (= Current Issues in Linguistic Theory 97) Amsterdam, 307-340

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

bast* [schors] {1290} oudsaksisch, oudhoogduits, oudnoors bast, oudengels bæst.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

bast znw. m., mnl. bast ‘bast, touw, strop’ ook ‘huid, lichaam’, os. mnd. bast ‘bast, touw, huid’, ohd. bast ‘bast, schors, huid’, oe. bæst ‘bast’, on. bast ‘bast, touw’. Daarnaast mhd. buost ‘strik van bast’ en het ww. mnl. besten ‘(toe)rijgen’, ook ohd. mhd. besten.

Verschillende verklaringen: 1. uit een vorm *bhadstu (K. F. Johansson IF 19, 1906, 121), vgl. lat. fascia ‘band’, messap. bastá ‘schoenen’ (Hesych.), vgl. Krähe, Sprache und Vorzeit 105, gr. pháskon ‘lange mosslierten aan bomen’, miers basc ‘halsband’. — 2. Verbonden met het ww. binden, dan construeert men een ontwikkeling *bhṇdh-t > *bast, die echter niet germ. is, maar illyrisch kan zijn. Szemerényi, KZ 71, 1954, 211-213 wil dan ook al deze woorden uit het illyrisch afleiden. — 3. Wegens osset. bast, av. basta trachtte Jacobsohn, ZfdA 66, 1929, 238-40 het woord uit een skythische taal af te leiden. In beide gevallen stuit men op de ablautsvorm hd. buost, die men moeilijk als een nieuwgevormde ‘hochstufe’ beschouwen kan. Bovendien vertoont het woord bast in het on. een zo rijke ontwikkeling van afleidingen, dat men het bezwaarlijk als een vrij laat ontleend woord zou willen beschouwen. Wel zou te overwegen zijn, of de germ. woorden niet door een substraatwoord beïnvloed zijn, of zelfs daaruit voortkomen. — Men heeft wel gemeend dat ook fra. bâtir ‘bouwen’ uit een frank. bastjan zou zijn ontstaan, en dan er op gewezen, dat de wanden der huizen van tenen gevlochten waren (Meyer-Lübke WS 1, 1909, 29); er bestaat nog een ouder fra. ww. bâtir, dat betekent ‘met grote steken aaneenhechten’, dat zeker op een germ. *bastjan ‘rijgen’ kan teruggaan; de betekenis ‘vlechten’ is echter niet bekend (Gamillscheg 89).

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

bast znw., mnl. bast m. “bast, touw, strop”, ook reeds “huid, lichaam.” = mhd. bast m. o. (nhd. bast) “bast, schors, huid” (waarbij met vrddhi., mhd. buost m. o. “touw, strik”), os. bast (m. o.?), mnd. bast m. “bast, touw, huid”, ags. bæst (m. o.? eng. bast) “bast”, on. bast o. “bast, touw”. Hierbij het ww. mnl. besten “(toe)rijgen”, ohd. mhd. besten “id.”, (mnd. bestinge v. “zoom”). De oorspr. bet. van germ. *ƀasta- was wsch. “bindmateriaal”, het kan dan op idg. *ƀhas-to- teruggaan en met ier. basc “halsband”, lat. fascis “bundel”, gr. pháskos “lang, harig boommos” (? Zie borstel), alb. baškɛ “tegelijk, gemeen” verwant zijn. Als basta hupodḗmata Italiōtai (Hes.) een dial. b uit bh kan hebben, stemt dit woord volkomen met het germ. overeen. Uiterst hypothetisch is de afl. van bhas- uit bhadh-s-: de wortel bhadh- “binden” wordt door ’t bestaan van idg. bhendh- “id.” (zie binden) niet wsch. gemaakt. Zie nog bezem.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

bast. Van het germ. ww., dat aan mnl. besten ‘rijgen’, ohd. mhd. besten ‘id.’ ten grondslag ligt, wordt afgeleid het rom. ww. fr. bâtir ‘bouwen; ineenrijgen’, it. bastire ‘bouwen’ e.a. overeenkomstige woorden in andere rom. talen. Hierbij moet men aan oorspr. gevlochten huizen denken: vgl. wand.
Jacobsohn ZsfdA. 66, 238 vlgg. verbindt op zeer scherpzinnige wijze bast met idg. *bhendh- (niet *bhadh- dus) door aan te nemen, dat een iraans-skythische verwant van av. basta- ‘gebonden’, osset. bast ‘gebonden, bundel, pakje’ in het Germ. zou zijn gekomen. (Over mogelijke aanraking tussenen Skythen en Germanen zie bij aal II Suppl.). Met het oog op de vṛddhi-vorm mhd. buost ‘touw, strik’ en ook om andere redenen niet aannemelijk.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

bast m., in alle Germ. talen met denzelfden vorm (Ags. echter bæst, Go. niet gevonden); bet. 1. schors, 2. uit bast gemaakt touw, 3. huid + Skr. pāças = strik, Zend wrt. paç = binden; de Idg. p werd Germ. b in plaats van. f; ging over in ’t Rom. : Mlat. bastum, Sp. en It. basto, Fr. bast, bât = zadel (z. boest).

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

2bas s.nw.
1. Buitenste bedekking van die stam en takke van 'n boom. 2. (plat) Vel. 3. (plat) Liggaam.
Uit Ndl. bast (al Mnl.). Eerste optekening in Afr. in Patriotwoordeboek (1902).

J. van Donselaar (1989), Woordenboek van het Surinaams-Nederlands, Muiderberg

bast (de, -en), (ook:) 1. schors van een boom. Ook: boombast (zie Cairo 1977: 44). - 2. schil van een vrucht. Samenst. o.m. sinaasappelbast (zie Cairo 1979a: 64). - Etym.: Bet. 1 komt ook voor in AN; in Sur. wordt het woord ‘schors’ echter zelden gebruikt. In bet. 2 in AN alleen nog gebr. voor een harde schil (bolster) als van een noot of een kastanje.

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

bas I: “buitelaag om hout van boom”; Ndl. bast (Mnl. bast), verb. met Mnl. ww. besten, “ryg”, wu. Fr. batir, “bou, inryg” en It. bastire, “bou” (n.a.v. primitiewe huise v. vlegwerk), Hd. en Eng. bast, verderop verb. m. Lat. fascis, “bondel” en Gr. phaskos, “lang, harige boommos”, deur oordr. v. bet. ook “huid, vel” (v. mens en dier), “liggaam” en “looibas” (’n soort wortel).

J. du P. Scholtz (1961), Afrikaanse woorde en uitdrukkinge - eiegoed of erfgoed?, uitgegee deur Edith H. Raidt, in: Tydskrif vir Geesteswetenskappe, pp. 235-290

Bas, snw. Segsw.: Een aan die bas, een in die kas en een in die was, d.w.s. van alle onderklere moet jy minstens drie stukke hê. – Algemeen bekende segswyse. Ook in Sliedrecht opgeteken. Ter Laan 387: “Regel voor ondergoed: Ain om de baast./ Ain in de kaast/ In ain in de wask, dat is ’t minste:” Harreb. III, CXII: Het is genoeg, zei eijsbet: één hemd in de wasch, één in de kast en één aan je bast.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

bast ‘schors’ -> Frans bâtir ‘bouwen’ Frankisch; Baskisch bastitu ‘bouwen’ .

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

bast* schors 1105 [Rey]

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

978. Iemand op zijn huid geven,

d.w.z. iemand een pak slaag geven; hem den mantel uitvegen; mnl. enen op sine vacht smiten; 17de eeuw: iemand op de huid smijten; Winschooten, 2 en Halma, 229: iemand op de huid komen, iemand afrossen. Syn. iemand op zijn tabernakel komen; op de ribben komen, slaan; op zijn pens (Gallée, 33 a); op zijn poffel geven (Boekenoogen, 772); over zijn schalen geven (Boekenoogen, 1354), waarnaast op zijn schaliën krijgen (Onze Volkstaal I, 240); op zijn salaat geven (Harrebomée II, 235 b); op zijn mieter, kop, falie, dak, nek krijgen; op zijn kolder krijgen (Sewel, 405); op zijn pook krijgen (V. Dale); op rös, hoed, pokkel, vel, nek, pens geven (Molema, 238 a; 331 b; 278 b); op zijn muts, op zijn lenden krijgen; iemand op de litsen, op de lappen, op zijn livrei, op zijn leverantsie geven (Molema 539 b); op zijn wammes krijgen, iemand wammesen, wammes krijgen (V.d. Water, 149); iemand op zijn gezicht geven; iemand wat op zijn liere, zijn vel, zijn balg geven (De Bo, 631); iemand op ze' cadaver (Antw. Idiot. 319), op zijn doel, zijn cibern(e) (Kl. Brab.) geven. In de 17de eeuw: iemand op zijn vleesch boenen (Paff. bl. 13, vs. 19); iemand op zijn ley geven (Gew. Weeuw. III, 30). Zie nog Ndl. Wdb. VI, 1212; Volkskunde XII, 101; De Cock1, 145; 157; en vgl. het hd. einem aufs Leder kommen, bij ons iemand op het leer zitten; Tuerlinckx, 360: over zijn leer krijgen; fri. immen op 't lear of 'e hûd, 'e bealg komme; Goeree en Overflakkee: iemand den bast krauwe, de rik (rug) schure (zie N. Taalg. XI, 307).

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut