Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

baskiet - (mand)

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

J. van Donselaar (1989), Woordenboek van het Surinaams-Nederlands, Muiderberg

bas’kiet (de, -en), 1. mand. Hij gooide het raampje open, op het weggetje liepen achterelkaar de oude Ngateman en zijn vrouwtje, ieder met een grote baskiet vol sinaasappelen op het hoofd (Vianen 1972: 13). - 2. visval bestaande uit een korf die vervaardigd is van smalle latten. Men vist met baskieten vooral bij hoog water gedurende de regentijd* langs de oever in kalme riviergedeelten (Geijskes 1954: 63). - Etym.: Vgl. E basket (= 1), S baskita (= 1 en 2). Zie ook: baksi* (veroud. syn. van 1 en 2) . Oudste vindpl. van 1 not. van 1757 baschiet, basquit (S&dS 646). - Syn. van 2 springmand*.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut