Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

basis - (grondvlak, grondslag)

Etymologische (standaard)werken

Diverse auteurs (2011-), Etymologiewiki

Voor een uitvoerig overzicht van de betekenissen van het internationalisme basis zie

De architectonische betekenis ‘grondvlak’ dateert De Boer in het Italiaans reeds op 1304-07.

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

basis zn. ‘grondvlak, grondslag’
Vnnl. basis ‘voetstuk’ [1618; WNT]. Ook al eerder als mnl. base ‘voetstuk’ (basen (mv.) [1285; CG II, Rijmb.]), nog vnnl. base [1599; Kil.]; maar het huidige → base ‘loog’ is een later leenwoord.
Ontleend aan (Neo)latijn basis ‘grondslag’ < Grieks básis ‘schrede, fundament’, afleiding van het werkwoord baínein ‘gaan’, Indo-Europees verwant met → komen.
Het is een internationaal woord met een ruime betekenistoepassing. Als wiskundige term ‘grondlijn’ werd het woord in veel talen in de 15e eeuw opgenomen. De architectonische betekenis ‘grondvlak’ komt op in de 16e eeuw; de figuurlijke betekenis ‘uitgangspunt, grondslag’ is 18e-eeuws.

EWN: basis zn. 'grondvlak, grondslag' (1618)
ANTEDATERING: De proiecture der basis 'de projectie van de basis' (meetkunde) [1549; iWNT uitsprong]
Later: Den voet voor Basis daer onder ghesteken 'de voet als basis daaronder gezet' (over de overeenkomst tussen een zuil en de menselijke figuur) [1604, Van Mander, fol. 12r] (EWN: 1618)
[J. Luif (2010-2018), 'Oudere dateringen van woorden uit het EWN', in: Trefwoord (bewerkt)]

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

basis [grondslag] {1618} < latijn basis [voetstuk, fundament] < grieks basis [het gaan, danspas, maat, fundament, vastheid], van bainein [gaan].

Thematische woordenboeken

Nicoline van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

basis (Latijn basis)

P.H. van Laer (1964), Vreemde woorden in de sterrenkunde, 2e druk, Groningen

Basis (= Gr. βάσις (basis) = stap; voetstuk; math. grondvlak; < βαίνειν (bainein) = stappen, gaan). Grondlijn die als fundament voor verdere metingen wordt gebruikt.

E.J. Dijksterhuis (1939), Vreemde woorden in de wiskunde

Basis (< Gr. βάσις; < βαίνειν = stappen; dat, waarop men gestapt is, dus waarop men staat, grondslag, voetstuk). Math. 1) de horizontaal getekende zijde van een driehoek. 2) In de Griekse wiskunde ook in gebruik voor grondvlak van een lichaam. 3) Afg. Grondtal. Vb. Basis van een logarithmenstelsel. 4) Systeem van elementen van een verzameling, waarvan alle andere elementen lineair afhankelijk zijn.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

basis ‘grondslag’ -> Indonesisch basis ‘grondslag’; Sranantongo basis ‘uitgangspunt, steunpunt’ (uit Nederlands of Engels).

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

basis grondslag 1618 [WNT] <Latijn

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut