Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

bascule - (weegschaal)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

bascule zn. ‘weegschaal’
Nnl. bascule ‘tegengewicht van brug; zwengel van waterput’ [1847; Kramers], wipwaeg of bascule ‘weegschaal, brugbalans’ [1859; WNT wippen], bascule [1872; Dale].
Ontleend aan Frans bascule ‘balans, weegschaal’ [1862], eerder in technisch taalgebruik al voor allerlei werktuigen met hefboom- en tegengewichtprincipe [1694; Rey], gevormd op basis van oorspr. bacule ‘schommelstoel, wip’ [1534; Rey], eerder al ‘het heffen met hefboom en tegengewicht’ [1466; Rey], afgeleid van het Oudfranse werkwoord baculer ‘slaan, tegen het achterwerk slaan, tegen de grond slaan’ [1377; Rey], dat met de werkwoordsuitgang -er gevormd is uit bas ‘laag’ (zie → bas) en cul ‘achterwerk’ (van onduidelijke herkomst). De -s- in bascule is in spelling en uitspraak van het woord verschenen via een geconstrueerd bassecule met de als correcter gevoelde vrouwelijke vorm van bas.
Doordat het eerste lid van baculer (waaruit de -s van bas was verdwenen) werd geïnterpreteerd als de eerste lettergreep van battre ‘slaan’ (zie → batterij) of van baton ‘stok’ (zie → baton), ging het ook ‘slaan, stokslagen geven’ betekenen; pas aan het eind van de 16e eeuw kreeg het naar analogie van het zn. bascule de betekenis ‘wippen, omslaan’ en in 1611 ook de vorm basculer (Rey).

EWN: bascule zn. 'weegschaal' (1847)
ANTEDATERING: door de aanvoeging van een bascule 'door de toevoeging van een contragewicht' [1817; Verh.KNI 3, 7]
Later: evenaar (bascule) 'weegschaal (bascule)' [1825; Cat.Volks- en kunstvlijt, 131] (EWN: 1859)
[J. Luif (2010-2018), 'Oudere dateringen van woorden uit het EWN', in: Trefwoord (bewerkt)]

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

bascule [weegwerktuig] {1847} < frans bascule, o.i.v. bas uit oudfrans bacule < latijn baculus [staaf van de unster] (vgl. bacil).

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Debrabandere (2010), Brabants etymologisch woordenboek: de herkomst van de woordenschat van Antwerpen, Brussel, Noord-Brabant en Vlaams-Brabant, Zwolle

bascule, basnul, zn.: schommel. Fr. bascule ‘wip, brugbalans’. Basnul is verhaspeld.

F. Debrabandere (2007), Zeeuws etymologisch woordenboek: de herkomst van de Zeeuwse woorden, Amsterdam

beskuul, -ule, beschuul, -ule zn.: weegschaal, brugbalans, bascule. Beskule < bascule door verdoffing van de onbetoonde klnker. Beschuul door de gewone Nnl. overgang sk > sch. Fr. bascule < bassecule < bacul ‘lage kont’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

bascule weegwerktuig 1847 [KKU] <Frans

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut