Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

bas - (laagste stem)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

bas zn. ‘laagste mannenstem, laagste instrument’
Vnnl. bas ‘lage stem’ [1552; Claes 1994a], bas ‘grondtoon’ [1623; WNT zoet I], ‘lage stem’ [1630; WNT aandraaien], ‘laag strijkinstrument’ [ca. 1650; WNT vedel I].
Ontleend aan Italiaans basso < middeleeuws Latijn bassus ‘lage zangstem’ [1274], afleiding van het Latijnse bn. bassus ‘dik, laag’.
Een internationaal woord dat, behalve voor een bepaald stemtype, ook gebruikt wordt ter aanduiding van een persoon met dat stemtype en van een muziekinstrument.
Vnnl. bascontre ‘hij die een lage zangstem heeft’ [1500; MNHWS] < Frans bassecontre, is net als het Franse woord in onbruik geraakt; zie ook → contrabas.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

bas1 [laagste stem] {1552} < italiaans basso [laag, bas(stem)] < middeleeuws latijn bassus [laag].

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

bas znw. v., eerst na Kiliaen; < fra. < basse < ital. basso < lat. bassus ‘dik, laag’.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

bas znw., nog niet bij Kil. Direct of via fr. basse uit it. basso < lat. bassus “dik, laag”. Evenzoo hd. bass m. enz.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

bas 1 v. (speeltuig), uit Fr. basse, van It. basso, Mlat. bassum (-us) = dik, zwaar, diep, laag.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

1bas s.nw.
1. Laagste van die vier hoofstemme in 'n musiekstuk. 2. Laagste van 'n reeks musiekinstrumente of die persoon wat dit bespeel. 3. Laagste manstem, of iemand met so 'n stem. 4. Laere party in 'n klavierduet.
Uit Ndl. bas (1657 in bet. 1 en 2, 1678 in bet. 3). Eerste optekening in Afr. in Patriotwoordeboek (1902).
D. Baß (15de eeu), Eng. bass (1450), Fr. basse.

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

bas II: “lae manstem”, ens., “bassinger”; Ndl. bas (nog nie by Kil nie), soos Hd. en Eng. bass regstreeks of via Fr. basse uit It. basso uit Lat. bassus, “laag”.

Thematische woordenboeken

N. van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

bas ‘laagste stem’ (Italiaans basso); ‘stuiver’ (Duits Batzen); ‘tweetal, dubbeltje’ (Jiddisch basch)
Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

bas ‘laagste stem’ -> Indonesisch bas ‘laagste mannenstem; contrabas’; Jakartaans-Maleis bas ‘laagste stem; basviool’; Menadonees bas ‘laagste toon (muziek)’; Papiaments bas ‘laagste stem’.

bas ‘basgitaar’ -> Madoerees bas ‘basgitaar’; Papiaments bas ‘basgitaar’; Sranantongo bas ‘basgitaar’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

bas laagste stem 1552 [Claes] <Italiaans

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal