Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

barsten - (breken, splijten)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

barsten ww. ‘breken, splijten’
Onl. breston ‘ontbreken’ [10e eeuw; W.Ps.]; mnl. birsten ‘splijten, uiteenvallen’ [1270-90; CG II, Moraalb.], bersten ‘splijten, breken’ [1315-35; MNW-P], barsten ‘voortspruiten’ [1437; MNW-P], ghebersten ‘ontbreken’ [1440; MNW], borsten ‘barsten’ [1470-90; MNW-R], barsten ‘ontspruiten’ [1480; MNW-P], ‘ontbreken’ [14e eeuw; MNW].
Os. brestan; ohd. brestan (mnd. (met metathese) bersten, barsten, borsten; mhd. bresten; nhd. bersten); ofri. bersta (nfri. barste, boarste); oe. berstan (ne. burst); on. bresta (nzw. brista); < pgm. *brestan- ‘breken’.
De etymologie is niet duidelijk. Vaak wordt aangenomen dat de vorm teruggaat op ouder *brehst- met verdwijning van -h- voor -st. Dan zou het gaan om een met -st uitgebreide vorm van pie. *bhreg- ‘breken’ (IEW 165), zie → breken. De vorm *breh-st- heeft echter geen parallellen in andere Indo-Europese talen. Daarom brengt men het ook wel in verband met pie. *bhres- ‘barsten, breken, kraken’ (IEW 169) of *bheres-, een uitbreiding van pie. *bher- ‘snijden, splijten’. Maar ook hier zijn de verwanten in andere talen (Oudiers brissid ‘breuk’, brisc ‘broos’; Bretons bresk; zie → bres) onzeker. Misschien is het daarom een substraatwoord.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

barsten* [splijten] {barsten, bersten 1270-1290} middelengels bersten, bresten, oudsaksisch, oudhoogduits brestan, oudnoors bresta; in de nl. vormen, evenals in het engels to burst en hoogduits bersten, is metathesis van r opgetreden; vgl. oudiers brissim [ik breek] (met assimilatie van ouder st).

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

barsten ww., dial. ook bersten, borsten, mnl. bersten, barsten, borsten (sterk ww.) ‘barsten, ontbreken’. Het is ontstaan uit *brestan vgl. onfrank. breston ‘ontbreken’, os. ohd. brestan, ofri. bersta, oe. berstan, on. bresta ‘barsten, breken’. — oiers brosc ‘lawaai’ (IEW 169).

Verdere aanknopingen zijn onzeker. Men heeft gedacht aan de mogelijkheid de wt. terug te voeren op *bher ‘slaan’, waarvoor zie: boren; maar dit is weinig waarschijnlijk.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

barsten ww., dial. ook bersten, borsten, mnl. bersten, barsten, borsten (nog sterk vervoegd) “barsten, ontbreken”. Met metathesis uit *brëstan (vgl. dorsen) = onfr. brëston “ontbreken”, ohd. brëstan “barsten, breken, ontbreken” (nhd. bersten met md. nd. metathesis), os. brëstan, ofri. bersta, ags. berstan “id.” (eng. to burst), on. brësta “barsten, breken”. De bet. “ontbreken” is secundair; vgl. ndl. gebrek, hd. gebrechen bij breken. Buiten ’t Germ. vgl. vooral ier. brissim “ik breek”. Met schwundstufe hierbij os. brustian “ontbotten”, klruss. brosť “knop”. De verbaalstam *bhreste-, -o- is van de basis bheres- “breken, splijten” afgeleid, die hoogerop met den onder baron, boren besproken wortel voor “slaan, boren” samenhangt en waarvan ook ohd. brart m., ags. breord, breard m., ozw. brædder m., zw. dial. bradd v. “rand”, ier. berr “kort”, gr. phársos “stuk”, obg. brazda “vore” kunnen zijn gevormd. Vgl. echter borstel en boord.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

barsten, bersten. Met ablaut horen waarschijnlijk hierbij: ohd. brasten, ags. brastlian ‘kraken, ratelen’, on. brasta ‘lawaai maken, pochen’. Buiten het Germ. wellicht lit. bras̆kù, -ėti ‘kraken, ratelen’. De idg. basis *bhres-, waarop deze woorden wijzen, verderop met de onder baron, boren besproken wortel ‘splijten, snijden’ te combineren, is te gevaarlijk. Over ier. brissim ‘ik breek’, dat wsch. formeel iets verder af ligt, zie WP. II, 206.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

barsten ono.w., Mnl. bersten, Onfra. breston, Os. brestan + Ohd. brestan (Mhd. brestan, Nhd. bersten), Ags. berstan (Eng. to burst), Ofri. bersta, On. bresta (Zw. brista, De. briste) + Oier. brissim = ik breek: wrt. bhrest (z. breken). Ndl., Nhd., Ags.-Eng. en Fri. hebben r-metathese.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Aarts (2017), Etymologisch Dictionairke vaan ’t Mestreechs, Maastricht

beerste (ww.) barsten; Middelnederlands bersten <1270-1290>.

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

1bars ww.
1. Skeure of splete kry. 2. Met geweld uitmekaar spring. 3. Met geweld sy weg baan. 4. (plat) Swaarkry. 5. 'n Bepaalde telling per ongeluk verbysteek in speletjies sodat daar weer van vooraf begin moet word.
In bet. 1, 2 en 3 uit Ndl. barsten (Mnl. bersten in bet. 1, 1714 in bet. 2 en 3). Bet. 4 is 'n leenbetekenis van Eng. burst (1440). Bet. 5 het in Afr. self ontwikkel. Eerste optekening in Afr. in Patriotwoordeboek (1902).
D. bersten (9de eeu).

Thematische woordenboeken

P.G.J. van Sterkenburg (2001), Vloeken. Een cultuurbepaalde reactie op woede, irritatie en frustratie, 2e druk, Den Haag

barsten. Als iemand een ander ziet als oorzaak van of aanleiding tot zijn eigen ongeluk, tegenslagen, ergernis en dergelijke, uit hij de wens dat die ander getroffen wordt door onheil. Hij wenst hem kwaad toe. Volgens het WNT is de verwensing barst! zelfs een ‘platte’ verwensing. Een andere verwensing met dit werkwoord is je kunt voor mijn part barsten! In Vlaanderen kent men volgens Mullebrouck (1984) de variant dat ge maar barst, gij lelijk beest! Thans is de betekenis ‘je kunt mij wat, bekijk het maar’. Tegenwoordig hebben verwensingen als barst, stik, val dood, verrek enz. niet meer een letterlijke betekenis, maar doen zij dienst als krachtige bewoordingen om misnoegen, ontevredenheid of afkeer te uiten over iets. De verwensing laat hij barsten! drukt thans gelatenheid of onverschilligheid van de spreker uit ten opzichte van het gebeuren of de daad van hemzelf of van een ander. De vervloeking dat zij barst! geeft uitdrukking aan een wens of verlangen van de spreker. Ook komt nog voor ik mag, wil barsten (als het niet waar is). Deze zelfverwensing wordt gebruikt ter bevestiging van de waarheid en betekent ‘ik moge barsten als het niet waar is wat ik zeg’. In Polletje Piekhaar [1935: 63] van Rotterdammer Willem van Iependaal komt de verwensing voor barst in bonkies met je geslijm! Een van mijn Leidse zegslieden stuurde het volgende versje op: ‘Stik, verrek, verrot, verteer, donder op en lazer neer, val in drieën voor mijn knieën, val in moten voor mijn poten, krijg de kouwe kippenkoorts, waterpokken enzovoorts. Barst!’ Een vijftienjarige scholiere uit Munstergeleen stuurde de volgende versie in: ‘Stik, verrek, verrot, verteer, val kapot en leef niet meer, krijg de kouwe kippenkoorts, vieze vlooitjes enzovoorts. Val in drieën voor mijn knieën, val in mootjes voor mijn pootjes, met andere woorden barst! kippenkoorts, malariatyfus, touw, vallen.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

barsten ‘splijten’ -> Negerhollands bos ‘splijten, doen barsten’; Papiaments baster ‘uiteenvallen, uiteenspatten; doodgaan’; Sranantongo baster ‘barst; splijten’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

barsten* splijten 1270-1290 [CG II Nederrijns Moraalb.]

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

284. De bom is gesprongen (gebarsten),

d.w.z. het geheim is uitgekomen. Bij uitbreiding ook met betrekking tot voorvallen die, lang verwacht, eene beslissende wending veroorzaken; hd. die Bombe ist geplatzt; fr. la bombe a crevé; le secret éclata. In het Ndl. Wdb. III, 332 en 325 wordt bom verklaard als spon; het geheim wordt dan vergeleken met een geestrijk vocht, dat door zijne hevige werking den bom van het vat doet springen (breken) en zich een uitweg baant.Bij De Cock1, 38: De bom is er uitgesprongen, de vrouw is bevallen. Te Zandvoort: de bondel (spon) komt los. Syn. was in de 17de eeuw de bommel is uitgebroken (of gebarsten), waar bommel wel zweer zal beteekenen; vgl. het fr. l'apostème crèveIn het Ndl. Wdb. III, 332 wordt aan bommel in den zin van spon gedacht., la bombe a éclaté. Vgl. eng. it has come to a head (eig. punt van een zweer).

379. 't Moet buigen of barsten (of breken),

d.i. het moet geschieden, hoe dan ook; een in de 17de eeuw voorkomende zegswijze, die wordt aangetroffen bij P.C. HooftZie Oudemans, Taalk. Wdb. 20.; De Brune, Bank. II, 164: Harde koppen zetten 't over al in roere; 't moet al buyghen, of bersten, daer zy komen; O. Kant. 41: Spreek uit je mont. Het moet nu barsten, of buigen. Zie verder Tuinman I, 149: 't Moet buigen of bersten, zo zegt men mede van iets, waar aan het uiterste gewaagt word; de gelykenis is genomen van een styven stok, of iets diergelijks; Sewel, 148: Het moet buigen of bersten (het moet er heel op of heel onder), it must bend or crack; Halma, 96: Al is dat kind nog zoo boos, evenwel zal het moeten buigen of barsten (toegeven); Harreb. III, 4 b; Ndl. Wdb.. II, 1043; III, 1724; fri.: 't moat bûge of barste; in het Waasch Idiot. 149 a: Ge moet buigen of borsten, 't is te moeten; zie ook Teirl. 221; syn. in Zuidndl. dial. springen of banen. Vgl. het verouderde de. bugne eller briste; nd. dat schuil bûgen o'r brêken (Eckart, 51); hd. biegen oder brechen, waarvoor men in het eng. zegt to sink or swim.

1290. De kruik gaat zoo lang te water tot zij breekt (of berst),

d.w.z. in eig. zin: men kan zoo dikwijls met eene broze kruik naar den put of den bak gaan om deze te vullen, totdat ze eindelijk tegen den kant breekt; in overdr. zin: men kan zoo dikwijls iets gevaarlijks of verkeerds doen, totdat het misloopt en men de slechte gevolgen er van ondervindt. In de middeleeuwen vinden we deze spreekwijze in den Esopet, 36, 10-20: So langhe stuuct men ende steect den stoep (kruik) te watre, dat hi breect; Reinaert II, 4356: So langhe gaet te water die cruuc, dat si breect ende valt an sticken; Pelgrim, 43 b: So lange gaet die pot om water dat si int laetste breect bij ongeval, datter in den wech op coemt; vgl. ook Limb. XI, 347; Lorr. I, 2045. Zie verder mlat. ollula tam fertur ad aquam, quod fracta refertur; donec fracta cadit, ad fontes amphora vadit (Bebel no. 27; Werner, 22); vgl. Goedthals, 18: de canne gaet so langhe te water, datse breckt, tant va le pot a l'eau qu'il brise; den roukeloose magh seven reysen wel slaen, maer eens qualick; Spieghel, 297; Brederoo I, 211: Een kruyck gaat soe langh te water tot datse barst; Six v. Chand. 454: De kruik die werd zoo langh vervarscht met waater haalen, tot se barst; Gew. Weeuw. I, 49: De kruyk zoo lang te water gaat dat ze van den Hengel valt; Spaan, 128; Harreb. I, 305 a; III, 222; Ndl. Wdb. VIII, 403; Waasch Idiot. 323; Ons Volksleven V, 162; fri. de krûk giet sa lang to wetter ont er de hals brekt. Ook in andere talen is het spreekwoord bekend; vgl. fr. tant va la cruche à l'eau qu'elle se casse; hd. der Krug geht so lange zu Wasser, bis er bricht; eng. the pitcher goes so often (or so long) to the well till it comes home broken at last. Voor het nd. vergelijke men Taalgids IV, 259; Eckart, 293.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut