Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

barmhartig - (medelijdend)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

barmhartig bn. ‘medelijdend’
Mnl. barmhertich [1270-1290; CG II, Moraalb.] bij het zn. barmharticheit ‘medelijden’ [ca. 1430; MNHWS].
Ontleend aan mnd. barmhertig of mhd. barmherzec (nhd. barmherzig), barmherze < ohd. barmherzi [11e eeuw], een leenvertaling van Latijn misericors ‘barmhartig’, samengesteld uit het bn. miser ‘ongelukkig, ellendig’ (dus ‘arm’) en het zn. cor ‘hart’.
De oudere Oudhoogduitse vorm was armherz, armherzig ‘barmhartig’ [9e eeuw] uit het bn. arm ‘niet rijk’ (zie → arm 2) en het zn. herza ‘hart’ (zie → hart). Verwant hiermee zijn oe. earmheort (me. armharted) en got. arma-hairts. De jongere vorm met b- ontstond onder invloed van het ohd. werkwoord (ir)barmēn ‘ontfermen’, zie → erbarmen.
Het woord behoort tot de eerste evangelisatietermen die met de opkomst van het christendom vanuit het christelijk Latijn in het Germaans werden geïntroduceerd (getuige onder andere de Gotische vorm). Al eerder kende het Middelnederlands het bn. ontfarmhertech ‘barmhartig’ [1276-1300; CG II, Kerst.], zie → ontfermen. Dit woord werd verdrongen door de Duitse vorm; in het WNT is evenwel nog een lemma ontfermhertig(heid) ‘barmhartig(heid)’ (“verouderd”) opgenomen.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

barmhartig [mededogen hebbend] {barmhertich 1270-1290} < middelhoogduits barmherzec [beklagenswaardig], oostmiddelnederlands erbarmen [ontfermen], vgl. oudengels earmian [zich erbarmen], gotisch arman [idem]; dit zijn vertalende ontleningen aan latijn miserēri [zich erbarmen], van miser [arm], waarnaar arman van arm is gevormd. De b is ontstaan uit het voorvoegsel be-/bi-, vgl. gotisch armahairts [barmhartig] zonder b, misericordia, (cor [hart]) → ontfermen.

P.H. Schröder (1980), Van Aalmoes tot Zwijntjesjager, Baarn

barmhartig

In het Middelnederlands bestond het woord ontfarmhartig, dat hoorde bij het werkwoord ontfarmen. Dit is ons werkwoord ontfermen: uit medelijden iemand voor gevaren beschermen. Het werkwoord is wel in de taal gebleven, maar ontfarmhartig is verdrongen door barmhartig, dat uit het Duits is overgenomen. In dit woord is de b de rest van een oud voorvoegsel. Zonder dit voorvoegsel luidt het woord dus: armhartig en daarin zitten de woorden arm en hart. Dit is een vertaling van het Latijnse misericors, waarin de woorden miser: ellendig, ongelukkig, arm en cor: hart schuil gaan. De betekenis is: medelijdend.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

barmhartig bnw., laatmiddeleeuws < mhd. barmherzec, gevormd van een ww. *barmen, dat zelf weer teruggaat op een ouder ww. *arman, vgl. oe. earmian ‘zich erbarmen’, got. arman, dat weer gevormd is in aansluiting aan lat. miserēri (arman : arm = miserēri : miser). Vandaar dat het lat. misericors vertaald werd als got. armahairts, ohd. armherz, oe. earmheort naast on. aumhjartaðr. — Zie verder: erbarmen en ontfermen.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

barmhartig bnw. In de late ME. gevormd naar mhd. barmhërzec (nhd. barmherzig), evenzoo mnd. barmhertich, de. barmhjertig, zw. barmhärtig. Barmhartig verdrong mnl. ontfarmhertich. Evenzoo werden (wat later, althans in ’t Ndl.) erbarmen, mnd. er-, vor-barmen, de. forbarme en zw. förbarma uit mhd. (nhd.) erbarmen (ohd. irbarmên) ontleend. De van ouds inheemsche ndl. vorm is ontfermen, mnl. ontfarmen, ontfermen (met dat. of nomin. van den persoon, of refl.), mnl. limb. ervarmen (refl.), evenzoo mnd. entvarmen, entvermen (gew. met dat. van den pers.). Het Got. bezit een ww. arman (transitief) = ags. earmian (met dat. van den pers.) “zich erbarmen”; dit is een vertaling van lat. miserêri, miseret me (arms, ndl. arm IImiser”), evenals got. armahaírts, ohd. armhërz, ags. earmheort, on. aumhjartaðr “barmhartig” van misericors. De geciteerde du.-ndl. ww. zijn samenstellingen van *ƀarmên, dat zelf weer uit een prefix + *armên = got. arman bestaat. Gew. neemt men “bi-armên aan, maar dan levert de f, v van de ndl. ndd. vormen moeilijkheden op. Meer bevredigt *af-armên; vgl. ags. of-earmian “zich ontfermen”. Uit continentaalwgerm. ontstond in het Hoogd. rb. De verdeeling van de b- en ƀ-vormen is wat anders dan bij arbeid. Dat kan een gevolg zijn van een bijtoon, dien de tweede syllabe van dit laatste woord soms had; ook kunnen wij (waarschijnlijker) in verschill. streken, o.a. in het Ndl., ontl. van arbeid uit het Hd. aannemen. Lang nadat hd. tot rb geworden was, is mhd. barmhërzec ontstaan. De e van mnl. nnl. ontfermen naast mnl. ontfarmen kan in verschillende diall. klankwettig uit a vóór r + labiaal ontstaan zijn (vgl. bijv. berm). Misschien heeft echter naast *armên een synoniem *armian bestaan, waarop dan ook mnd. ent-v-ermen teruggaat.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

barmhartig. Men mag zeker ontfermen (en mnd. entvarmen, entvermen) als „vanouds inheems’ beschouwen tegenover de jongere ontll. met b. Dit sluit intussen niet uit dat ags. of-earmian en mnl. ont-f-ermen ook onder invloed van de ohd. terminologie kunnen zijn opgekomen, al zijn ze niet, als de hd. vorm, met bi- samengesteld. Vgl. Frings Germ. Rom. 212, 24 vlg. Daarentegen zal mnl. limb. ervarmen eerder een adaptatie zijn van het hd. woord naar andere gevallen, waar hd. rb aan nederfr. rv beantwoordde.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

barmhartig bijv., uit Mhd. barmherzec (Nhd. barmherzig); daarnevens Mnl. ontfarmhertich, Ohd. armaherzi, Go. armahairts: is een vertaling van Lat. misericors, uit miser = arm en cor = hart. Voor het praefix z. erbarmen en ontfermen.

Thematische woordenboeken

Nicoline van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

barmhartig (Duits barmherzig)

P.G.J. van Sterkenburg (2001), Vloeken. Een cultuurbepaalde reactie op woede, irritatie en frustratie, 2e druk, Den Haag

barmhartig. In Vlaanderen komt de verwensing barmhartige tijd! voor. Tijd is daarin een substitutievloek van God. → tijd.

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Barmhartig. Over ’t eerste lid is nog geen voldoend licht ontstoken. Het staat in verband met erbarmen, dat op een oud barmen (= medelijden hebben) wijst. Evenwel zijn er ook vormen (in ’t Got., ’t Oudduitsch e.a.), die armhartig luidden: een hart hebbende voor de armen, ellendigen, letterlijke vertaling van ’t Lat. misericors (miser = arm; cor = hart). Zie ook erbarmen.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

barmhartig ‘mededogen hebbend’ -> Deens barmhjertig ‘mededogen hebbend’ (uit Nederlands of Nederduits); Noors barmhjertig ‘mededogen hebbend (tegenover iemand die dat niet verdient of daar recht op heeft), medelijdend, behulpzaam’ (uit Nederlands of Nederduits); Zweeds barmhärtig ‘mededogen hebbend, behulpzaam’ (uit Nederlands of Nederduits); Negerhollands barmhertig ‘mededogen hebbend’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

barmhartig mededogen hebbend 1270-1290 [CG II Nederrijns Moraalb.] <Duits

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut