Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

barkas - (grootste sloep van een schip)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

barkas zn. ‘grootste sloep van een schip’
Nnl. barkas ‘grootste sloep’ [1718; Donselaar 1998b], barkas ‘grootste sloep’ [1833; WNT vol I].
Mogelijk is het woord tweemaal ontleend. De eerste ontlening is gezien de bron mogelijk aan Spaans barcaza of Portugees barcaça. De latere ontlening is wrsch. via Frans barcasse ‘slechte boot’ [1820; TLF], ‘grote boot’ [1866; TLF], uit Provençaals barcasso of Italiaans barcaccia ‘slechte boot’ [1535], bij het grondwoord Latijn barca ‘boot’, zie → bark 1. Het achtervoegsel, dat in al deze talen teruggaat op Latijn -āce, kan zowel vergrotende als pejoratieve waarde hebben.
In het scheepvaartjargon bestaat nog de uitdrukking zich een barkas voor een brik laten verkopen ‘zich iets in de handen laten stoppen’. Een barkas is een minderwaardig schip ten opzichte van een brik, een tweemaster. In een andere betekenis gewestelijk een ouwe barkas ‘een oud, versleten ding’ < Frans barcasse ‘slechte boot’.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

barkas [zwaarste sloep] {1833} < frans barcasse [grote schuit] < spaans barcaza [idem] < italiaans barcaccia, vergrotingsvorm van barca (vgl. bark2).

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

barkas znw. v., ‘de grootste sloep van een schip’, maar eig. ‘een grote bark’. Het woord kwam over spa. barcaza uit het ital. barcaccia, met vergrotingssuffix uit barca gevormd.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

barkas znw. Evenals duitsch barkasse v. uit fr. barcasse = it. barcaccia, spa. barcaza, eig. “groote bark”, dan “de grootste sloep van het schip”.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

barkas v. (groote boot), uit Sp. barcaza of It. barcaccio, augment. van barca (z. bark 1).

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Debrabandere (2007), Zeeuws etymologisch woordenboek: de herkomst van de Zeeuwse woorden, Amsterdam

barrekas(se) zn. v.: barkas, m.n. in de woordgroep ’n ouwe barrekass(se): een oud ding, een oud vehikel. Fr. barcasse ‘barkas, zwaarste sloep aan boord van een schip’ < Sp. barcaza < It. barcaccia, afl. van barca < Laatlat. barca < Gr. baris ‘Egyptisch vaartuig’.

F. Debrabandere (2005), Oost-Vlaams en Zeeuws-Vlaams etymologisch woordenboek: de herkomst van de Oost- en Zeeuws-Vlaamse woorden, Amsterdam

barrekas(se) (ZV), zn. v., m.n. in de woordgroep 'n ouwe barrekass(se): een oud ding, een oud vehikel. Fr. barcasse 'barkas, zwaarste sloep aan boord van een schip' < Sp. barcaza < It. barcaccia, afl. van barca < Laatlat. barca < Gr. baris 'Egyptisch vaartuig'.

Thematische woordenboeken

Nicoline van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

barkas (Frans barcasse)
Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

barkas ‘zwaarste sloep aan boord van een schip’ -> Duits Barkasse ‘grootste sloep op oorlogsschepen; grote motorboot’; Oost-Jiddisch barkas, barkes ‘sloep aan boord van een schip’ ; Deens barkasse ‘grote sloep’ (uit Nederlands of Duits); Noors barkass ‘grote solide sloep, vooral op oorlogsschepen’ (uit Nederlands of Duits); Zweeds barkass ‘grote sloep’ (uit Nederlands of Duits); Fins parkassi, parkaasi ‘zwaarste sloep aan boord van een schip’ (uit Nederlands of Duits); Ests pargas ‘zwaarste sloep aan boord van een schip’ ; Tsjechisch barkasa ‘zwaarste sloep aan boord van een schip’ ; Slowaaks barkasa ‘zwaarste sloep aan boord van een schip’ ; Pools barkas ‘zwaarste sloep aan boord van een schip’ (uit Nederlands of Duits); Kroatisch barkača, barkas ‘grote sloep’; Macedonisch barkasa ‘grote sloep’; Servisch barkas, barkasa ‘grote sloep’; Sloveens barkasa, barkača ‘grote sloep’; Russisch barkás ‘zwaarste sloep aan boord van een schip; (boeventaal) verboden zone in penitentiaire inrichting, prikkeldraadversperring, zolder’; Bulgaars barkas, barkasa ‘zwaarste sloep aan boord van een schip’; Oekraïens barkás ‘grote sloep’ ; Lets barkass ‘zwaarste sloep aan boord van een schip’; Litouws barkasas ‘zwaarste sloep aan boord van een schip’; Indonesisch barkas, berkas ‘zwaarste sloep aan boord van een schip’; Atjehnees beureugaih ‘zwaarste sloep aan boord van een schip’; Makassaars baragâsá ‘stoombarkas; motorboot’; Sranantongo barkasi ‘zwaarste sloep aan boord van een schip’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

barkas zwaarste sloep 1718 [Van Donselaar Woordenaar 2, 1] <Frans

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal