Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

barg - (gesneden varken)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

barg zn. ‘gesneden varken’
Onl. *barcho ‘gesneden ever’ [8e eeuw; LS]; mnl. barch, barech [ca. 1330; Jacobs 1928], barghin vleesch ‘vlees van een varken’ [15e eeuw; MNW bargijn], ghesmolten barghensmeer ‘gesmolten varkensvet’ [1480-1500; MNW-P]; vnnl. bargh, bergh ‘gesneden beer’ [1599; Kil.]; dial. berg (met -e- uit -a- voor r + velaar, zoals in → merk), borg, burg (beide vormen met nultrap).
Os. barug; ohd. barug, barh (nhd. dial. Barg, Barch); ofri. baerch (nfri. baarch ‘varken (niet gesneden)’, mv., verkleinwoord en in samenstellingen/afleidingen met korte klinker: bargen, barckje resp. bargehok); oe. bearg (ne. barrow ‘gecastreerd varken’, niet verwant met ne. barrow ‘kruiwagen’); on. börgr; < pgm. *bargu- (OED) of *baruga- < *bharu-ha-, -ga- ‘gesneden zwijn’ < pie. *bhoru-ko- (IEW 135). Variant met nultrap (*bhr- > *bur-) in mnd. borch; nhd. Borch, Borg; oe. borg.
Mogelijk verwant met Proto-Slavisch *borwo- ‘gesneden varken’ (Russisch bórov ‘id.’, Servo-Kroatisch dial. brâv ‘id.’, Pools browek ‘vetgemest varken’), wellicht < pie. *bhorus- ‘gesneden dier’. Het lijkt op het eerste gezicht vreemd dat de betekenis in andere Slavische talen ‘kleinvee’ is; hier kan evenwel sprake zijn van betekenisverruiming.
Vroeger castreerde men varkens door de teelballen murw te slaan. Misschien is het woord zo etymologisch verwant met pgm. *berjan- ‘slaan’ (ohd. berian; on. berja), dat teruggaat op pie. *bherH- ‘slaan, kloppen, met een scherp werktuig bewerken’ (IEW 133), zie → boren. De ablaut in het Germaans is echter onverwacht in deze formatie. Gezien de geringe verspreiding en de onduidelijke afleiding moet eerder aan een substraatwoord gedacht worden.

EWN: barg zn. 'gesneden varken'; de vorm barg (ca. 1330)
ANTEDATERING: S. Roberti Bargh 'van S. Robert Barg (= gelubd varken, of misschien varkenscastreerder)' [1205; Debrabandere 2003]
[J. Luif (2010-2018), 'Oudere dateringen van woorden uit het EWN', in: Trefwoord (bewerkt)]

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

barg2* [gesneden varken] {barch [speenvarken, gesneden varken] 1388} nl. dialectvormen zijn berg, burg, burcht, borg, oudsaksisch, oudhoogduits barug (hoogduits Barch), oudengels bearg (engels barrow), oudnoors bǫrgr, vermoedelijk te verbinden met oudhoogduits berian, oudnoors berja, latijn ferire [slaan]; vroeger werden voor castratie de testikels murw geklopt, vgl. klophengst.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

barg znw. m. ‘gesneden mannelijk varken’, mnl. barch, barech, os. barug, ohd. barug, barh (nhd. barch), oe. bearg (ne. barrow), on. bǫrgr. De grondvorm is dus *baruga-. Daar men oudtijds om een varken te castreren, de teelballen door slaan vernietigde, is samenhang met de idg. wt. *bher ‘slaan, kloppen’ waarschijnlijk. Vgl. ohd. berian ‘slaan, kloppen’, on. berja ‘slaan, doden’; niet in nl. bewaard, zie echter: boren.

Dialectische bijvormen zijn berg met overgang a > e voor r + gutt. en borg, borcht. — Zie voor de dialectische vormen I. Habermehl, Taalatlas afl. 2, 14. en K. Heeroma, Taalatlas van Oost-Nederland Nr. 20.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

barg znw., mnl. bar(e)ch (gh) m., ndl. dial. bĕrg met e uit a vóór r + gutturaal (zie erg), Kil. bargh, bergh, Teuth. barch, borch. = ohd. barug, barh (nhd. barch), os. barug, ags. bearg (eng. barrow), on. bǫrgr m. “barg, gesneden varken”, germ. *ƀaruʒa-. Kan oerverwant zijn met slav. *borwo-, russ. bórow “gesneden varken” (in andere slav. talen ook “kleinvee”); beide kunnen van een idg. stam *bhoru- afgeleid zijn, die wel bij lat. ferio “ik sla” enz. (zie baron, boren) zal hooren. De bijvorm nhd. borch, borg, westf. tw. borg, mnd. Teuth. borch, dr. börg, ook elders in Nederland borχ(t) komt van *baruʒ, met dialectische labialiseering van de a. Dial. (belgisch) bark, bork is vervormd.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

barg 1 m. (gesneden beer), Mnl. barch, Onfra. barag + Ohd. barug (Mhd. barc, Nhd. barch, barg), Ags. bearg (Eng. barrow), Ofri. baerch, On. borgr; kan met Idg. p = b i.p.v. f en Idg. k = g i.p.v. h bij varken behooren.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

burg II: “gekastreerde vark”; Ndl. barg (Mnl. barch/bargh, Kil bargh/bergh, dial. Ndl. barg/berg/borg/burg), Hd. barch, Eng. barrow, mntl. verb. m. Lat. ferire, (o.a.) “stukkend sny, slaan”.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

barg* gecastreerd mannelijk varken 0701-800 [Lex Salica]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut