Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

baren - (ter wereld brengen)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

baren ww. ‘ter wereld brengen, veroorzaken’
Onl. (met -a- in de infinitief) barinda (teg.deelw.) ‘barend’, gebar (pret.) ‘(ik) baarde’ [10e eeuw; W.Ps.], (met -e- in de infinitief) beran ‘baren’, berid ‘(het) baart’, bired ‘(zij) baart’ [ca. 1100; Will.]; mnl. baren ‘voldragen’ [1287; CG II, Nat.Bl.D], ghebaren ‘voortbrengen’ [1348; MNW]; vnnl. baren een kind ‘id.’ [1562; Naembouck], gebaren ‘id.’ [1573; Thes.].
Erfwoord, met oorspr. betekenis ‘dragen’; met het voorvoegsel ge- wordt dat ‘tot het einde dragen, voldragen’, waaruit de huidige betekenis is ontstaan. In het Middelnederlands komen zowel vormen met als zonder voorvoegsel ge- voor. De variant met voorvoegsel is verdwenen, misschien onder invloed van de homonymie met → gebaren.
Ook de andere Germaanse talen hebben vormen met en zonder voorvoegsel: os. (gi)beran ‘(vol)dragen, (voort)brengen’ (mnd. (ge)beren; nnd. (verouderd) ber(e)n ‘dragen, tillen’); ohd. (gi)beran (mhd. (ge)bern; nhd. gebären); runeninscriptie ofri. ber ‘draag’ (imperatief), bïrïd ‘(hij) draagt’ [begin 6e eeuw; Philippa/Quak 1994, 150], ofri. bera ‘(vol)dragen, (voort)brengen’ (nfri. bernje); oe. (ge)beran, (ge)beoran (me. (ge)beren, iberen, ne. bear); on. bera (nzw. bära, nijsl. bera); got. (ga)bairan; < pgm. *(ga)beran- ‘(vol)dragen, (voort)brengen’. Een oude ablautende variant die hierbij hoort is een zn. met betekenis ‘kind’: mnl. baren ‘kind’ [1287; CG II, Nat.Bl.D]; os. barn; ohd., mhd. barn; nfri. bern, barn; oe. bearn (me. barn; Schots bairn); on. barn (nzw. barn); got. barn (krimgot. baar); < pgm. *barna- < pie. *bhorno-. De -a- in de Nederlandse werkwoordsvorm is opmerkelijk. Op basis van het Germaans zou de stamvocaal -e- moeten zijn (zoals nog in het verwante → ontberen). Misschien is deze stamvocaal gewijzigd door verwarring met een ander Middelnederlands werkwoord baren ‘tonen’ (onl. *baron ‘openbaren’; afgeleid van pgm. *bara- ‘naakt, bloot’, zie → bar 1, → baar 5) of door beïnvloeding van het zn. baren ‘kind’. Een andere mogelijkheid is dat het om een spontane ontwikkeling van -e- naar -a- gaat onder invloed van de -r- (Schönfeld 1970, par. 57c). Al in het Middelnederlands is de vorm met -a- de gebruikelijke.
Buiten het Germaans is baren verwant met Latijn ferre ‘dragen’ (zoals in bijv.conferentie, → refereren, → prefereren, → offer); Grieks phérein (zoals in → amfoor, → euforie, → fosfor, → metafoor); Sanskrit bhárati ‘hij draagt’; Avestisch baraiti; Oudkerkslavisch bĭrati ‘verzamelen, pakken’ (Tsjechisch brát ‘nemen’); Oudiers -berat ‘dragen, brengen’; Armeens berem ‘ik draag’; Albanees birni ‘jullie dragen’; Tochaars A/B pär- ‘dragen, brengen, halen’; bij de wortel pie. *bher- ‘dragen, brengen’ (IEW 128). De nultrap van deze wortel is o.a. te vinden in → beuren.
Baren was oorspr. een sterk werkwoord van de vierde klasse (nog in het onl.: beran / (ge)bar / *bāran / geboran [resp. Will., W.Ps. en Will.]). In het Middelnederlands is de vorm zwak geworden: ghebaerde ‘baarde’ [1427; MNW]. Een relict van het sterke werkwoord is het deelwoord → geboren.

EWN: baren ww. 'ter wereld brengen, veroorzaken' (10e eeuw)
ANTEDATERING: eerst ber 'draag' (imperatief) en bīrīd '(hij) draagt' [501-10; ONW]
[J. Luif (2010-2018), 'Oudere dateringen van woorden uit het EWN', in: Trefwoord (bewerkt)]

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

baren1* [ter wereld brengen] {oudnederlands barinda [barende] 901-1000, middelnederlands baren, gebaren [idem]} oudsaksisch beran [dragen], giberan [voortbrengen], oudhoogduits beran [dragen, voortbrengen], oudfries, oudnoors bera, oudengels beran, gotisch bairan; buiten het germ. latijn ferre, grieks pherein [dragen].

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

baren ww., later-mnl. naast de oudere vorm ghebaren. Het woord kwam vooral op in religieuze teksten en is nog altijd een min of meer deftig woord (FW 33). — os. beran ‘dragen’ (giberan ‘voortbrengen’), ohd. beran ‘dragen, voortbrengen’, ofri. -bera ‘dragen, brengen’, oe. beran ‘dragen, brengen, voortbrengen’, on. bera ‘dragen, brengen’. — lat. fero, gr. phérō, oi. bharāmi, osl. bera, birati, oiers biru, arm. berem ‘dragen’ (IEW 128-132). — Zie: baar, beuren, beurt, gebaar, gebeuren, oorbaar, openbaar, verbeuren, voorbarig.

Het nu zwakke ww. was oorspr. sterk, waaraan het verl. deelw. geboren nog herinnert. De a van gebaren is moeilijk te verklaren. Noch invloed van mhd. gebern (v. Wijk Ts. 28, 1909, 274), noch die van een fri. *bera, *bara ‘voortbrengen’ (FW 33-34) zijn daarvoor in aanmerking te nemen. Daarom heeft men gedacht aan invloed van een ander ww. mnl. baren ‘tonen, te voorschijn brengen’, onfrank. baron ‘openbaren’, os. baron ‘ontbloten’, ohd. ka-parōn ‘detegere’, ofri. baria ‘openbaren, aanklagen’, oe. barian ‘van een bedekking ontdoen, beroven’, on. bera ‘ontbloten’ die tot de groep van baar behoren, zo FW 842 en v. Haeringen Suppl. 12). — Maar ook dit lijkt niet waarschijnlijk, daar de betekenissen op een geheel ander vlak liggen. Daarom eerder spontane ontwikkeling e > a, zoals mnl. begaren naast begeren.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

baren ww., reeds later-mnl. In het Mnl. is ghebaren de oudere vorm. Het mnl. ww. kwam vooral voor in devote literatuur en bijbelteksten. Dat wijst op geleerden oorsprong. Nog altijd is baren een deftig, in de volkstaal weinig gebruikelijk woord. Ghebaren is misschien ontleend uit mhd. gebërn (nhd. gebären, ohd. gibëran). De gerekte ë, die eerst ndl. ē resp. æ̂ is geweest, viel samen met den klinker van ghebêren, ghebæ̂ren, zooals het bij gebaar vermelde ghebâren “een houding aannemen, enz.” over een groot gebied luidde. Naar analogie der dial. wisselvormen ghebêren, ghebæ̂ren, ghebâren bij het ospr. ndl. woord kunnen zich dergel. vormen bij het ontleende hebben ontwikkeld, baren werd tenslotte de schrijftaalvorm. Deze verklaring is onzeker; maar een andere aannemelijke is niet gegeven (zie hieronder). Ohd. gibëran is een samenst. van bëran “dragen, voortbrengen” = os. bëran “dragen” (gi-bëran “voortbrengen”), ofri. -bëra “dragen, brengen” (in samenst.), ags. bëran “dragen, brengen, voortbrengen” (eng. to bear), on. bëra “id.”, got. baíran “dragen”. Overblijfsels hiervan in ’t Ndl. zijn geboren, het verl. deelw. van oud-ndl. *ʒi-bëran, en de samenstelling ontberen, mnl. ontbēren = ohd. inbëran (nhd. entbehren), mnd. entbēren, ofri. ontbëra (ontbara) “ontberen”, met opvallende bet. Gew. leidt men baren niet uit mhd. gebërn af, maar uit owfri. *bara met a uit e. Dat is onwaarsch., omdat: 1. noch in het Ofri. noch in het Nieuwfri. van *bëra, *bara “voortbrengen” anders dan het verl. deelw. voorkomt: geber(e)n, eber(e)n, boren, nieuwfri. berne, waarnaast het hollandisme geboaren “geboren”, 2. het mnl. nnl. (ghe)baren een geleerd en niet vooral holl. woord is, 3. de oudste vorm met ghe- is samengesteld. De verbaalstam bher- “dragen” is algemeen idg.: ier. berim, lat. fero, gr. phérō “ik draag”, phryg. abberei “hij droeg”, obg. berą, bĭrati “verzamelen, nemen”, alb. birni “jullie brengt”, arm. berem “ik draag, breng”, oi. bhárati, bhárti, bíbharti, bibhárti “hij draagt”. Vgl. baar I, baar II, baar VI, beuren, beurt, gebaar, gebeuren, oorbaar, openbaar, verbeuren, voorbarig.

[Aanvullingen en Verbeteringen] baren. De vorm hāre (haar II) met eveneens opvallende a kan voor ndl. oorsprong van baren, mnl. (ghe)bāren aangevoerd worden. Ongetwijfeld ook zal baren althans gedeeltelijk teruggaan op mnl. bāren “toonen, te voorschijn brengen” (soms zelfs door ndl. “voortbrengen” vertaalbaar) = onfr. baron, -in “manifestare” en NB. “germinare”, ohd. ka-parôn “detegere”, os. baron “nudare”, gi-baron “toonen”, ofri. baria “bekend maken, aanklagen”, ags. barian “van zijn bedekking ontdoen, berooven”, on. bera “ontblooten” (van baar V).

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

baren. Terecht verwerpt het art. de verklaring als friese vorm. Het is echter ook niet nodig, mnl. ghebāren als een ontl. uit het Mhd. te beschouwen. De feitelijk voorkomende vormen laten zich voldoende verklaren als men aanneemt, dat mnl. *ghebēren dooreengelopen is met het door v. Wijk in de Aanv. vermelde mnl. bāren ‘tonen, te voorschijn brengen’ = onfr. baron, -in ‘manifestare’, ook al ‘germinare’, ohd. ka-parôn ‘detegere’, os. baron ‘nudare’, gi-baron ‘openbaren’, ofri. baria ‘openbaren, aanklagen’, ags. barianvan zijn bedekking ontdoen, beroven’, on. bera ‘ontbloten’ (bij baar V). Dit dooreenlopen kan bevorderd zijn doordat de ē vóór r in open syllabe hier en daar in het Mnl. neiging had om tot ā over te gaan: begāren naast begēren e.d. zijn meer dan papieren vormen. Vgl. ook nog haar II.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

baren o.w., Mnl. baren, gebaren, volgens sommigen uit Mhd. gebërn, waarschijnlijker met dial. a voor e, gelijk poss. hare voor here, hetz. als algemeen Germ. st. ww. *beren = dragen, vruchten dragen, voortbrengen, Os. beran + Ohd. beran (Mhd. gebern, Nhd. gebären), Ags. beran (Eng. to bear), Ofri. bera, On. bera (Zw. bära, De. bære), Go. bairan + Skr. bharāmi, Arm. berem, Gr. phérein, Lat. ferre, Oier. berim, Osl. bera: Idg. wrt. bher = dragen.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

4baar ww.
1. Voortbring, lewe skenk aan. 2. Veroorsaak.
Uit Ndl. baren (al Mnl. in bet. 1, 1622 in bet. 2). Eerste optekening in Afr. in Patriotwoordeboek (1902).
D. gebären (8ste eeu), Eng. bear (971 in bet. 1).

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

baar II: “lewe gee aan; in die lewe roep, voortbring”; Ndl. baren (Lmnl. baren naas ouer ghebaren, vgl. ook Ndl. geboren), maar herk. hoërop nog onseker), v. baar I.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

baren ‘ter wereld brengen’ -> Negerhollands baer ‘ter wereld brengen’; Creools-Engels (Maagdeneilanden) † pari ‘ter wereld brengen’ .

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

baren* ter wereld brengen 0901-1000 [WPs]

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

1300. Kunst baart gunst,

d.w.z. kunst maakt dat men in aanzien komt, gezien wordt; wekt de genegenheid van anderen; eene meening die men in de late Middeleeuwen ook reeds had, blijkens Mar. v. Nieum. vs. 533: Conste maect ionste. Zie verder Cats I, 459: Kunst bairt gunst; bij Sewel, 407: Konst baart roem; in 't hd. Kunst macht Gunst; fr. qui art a, partout part a; eng. skill wants no good will.

206. De berg heeft een muis gebaard,

d.i. wat veel beloofde is op niets uitgeloopen, eene navolging van Horatius (ad Pison. 139): parturiunt montes, nascetur ridiculus mus (ontleend aan een fabel van Phaedrus, 4, 22), dat herinnert aan het Grieksch ωδινεν ορος, το δ ετεκε μυν. Zie Cats I, 522: Het baren van bergen komt uyt op een muys; De Brune, 229: 't Schijnt dat berghen zullen baeren, en daer zal een muys uyt-varen; Tuinman I, 88; 273; Harreb. I, 47 b; III, 124 a; Ndl. Wdb. II, 1865; Büchmann, 389. Vgl. fr. la montagne a enfanté une souris; hd. der Berg hat eine Maus geboren; eng. the mountain has brought forth a mouse; zie voor andere talen Wander I, 313.

Overige werken

Julius Pokorny (1959), Indogermanisches Etymologisches Wörterbuch, Bern.

bher-1 ‘tragen, bringen’ usw. (auch Leibesfrucht tragen; med. ‘ferri’), auch ‘aufheben, erheben’, Die Wz. bher-, die ausnahmsweise sowohl ein themat. wie ein athemat. Präsens bildet, kennt, weil durativ, im Idg. weder Aor. noch Perf., Neben bher-, mit them. Vokal bhere-, sieht eine schwere Basis bherǝ : bhrē-., Nominalbildungen: bhóro-s, bhoró-s, bhorā́, bhor-mo-s, bher-isto-s, bher-ontī, bher(ǝ)-men-, bherǝ-tro-, bher-tō̆r, bhr̥-ti-s, bhr̥-ti̯ā́.

Ai. bhárati ‘trägt’, av. baraiti ds. (und ‘reiten’), apers. barantiy 3. Pl. ds. (= arm. berem, phryg. αβ-βερετ, gr. φέρω, lat. ferō, air. biru, alb. bie, got. baira, aksl. berǫ); ai. bhárti (ebenso wie gr. φέρτε, lat. fert alte unthem. Form), bibhárti, bíbharti, bibhr̥máḥ, bibhrati (vgl. das wohl von πίφραμεν = bibhr̥me ausgegangene ἐσ-πιφράναι ‘hineinbringen’), them. abibhran, bibhramāṇa-ḥ und av. -bībarāmi;
Perf. babhāra und jabhāra (Kreuzung von babhāra mit jahāra von hárti);
Partiz. ai. bhr̥tá-ḥ, av. bǝrǝte-; Supin. ai. bhártum; Kaus. ai. bhāráyati = Iter. av. bāraya-;
Sup. av. bairišta- ‘der am besten pflegt, hegt’ (= gr. φέριστος ‘vorzüglichster, bester’, wohl ‘ertragreichster, fruchtbarster’);
ai. bhr̥tí-ḥ ‘das Tragen, Unterhalt, Kost, Lohn’ = av. bǝrǝtis ‘das Tragen’ (= lat. fors, got. gabaúrþs, arm. bard); ai. bhr̥tyā́ ‘Kost, Pflege’ (vgl. got. baúrþei);
ai. bhárman- n. ‘Erhaltung, Pflege; Last’ (= gr. φέρμα, aksl. brěmę), schwere Basis in bharīman- n. ds.; bharítra-m ‘Arm’ (‘*womit man trägt’);
ai. bhára-ḥ ‘das Erlangen, Erbeuten, Gewinn, Beute; Bürde’, npers. bar ‘Frucht’ (= gr. φόρος, aksl. sъ-borъ); ai. -bhará-ḥ ‘tragend, bringend usw.’, av. -barō ds. (= arm. -vor, gr. -φορος, z. B. δύσφορος = ai. durbhara-ḥ);
ai. bháraṇa-m ‘das Tragen, Bringen, Verschaffen, Unterhalten’ (= Inf. got. baíran); ai. bhártar-, bhartár- ‘Träger’, prábhartar- ‘Darbringer’, av. fra-bǝrǝtar- ‘ein Unterpriester’ (vgl. lat. fertōr-ius, umbr. arsfertur), fem. ai. bhartrī́, av. barǝθrī ‘Trägerin, Erhalterin, Mutter’; dehnstufig ai. bhārá-ḥ ‘Bündel, Arbeit, Last’, bhārin- ‘tragend’, bhā́rman- (n.) ‘das Bringen, Aufwartung’, bhārya-ḥ ‘zu tragen, zu ernahren’ (= ahd. bāri oder = *bhōrio- in gr. φωριαμός); ba-bhrí-ḥ ‘tragend, getragen’.
Arm. berem ‘trage, bringe’ (Aor. eber = ἔφερε, ábharat), beṙn, Gen. beṙin ‘Bürde, Last’ (vgl. gr. φερνή ‘Mitgift’), ber ‘Ertrag, Frucht, Fruchtbarkeit’ und ‘Bewegung, Lauf’, -ber ‘bringend, tragend’, z. B. in lusaber ‘lichtbringend, Morgenstern’, sekundär statt -vor, z. B. lusa-vor ‘lichtbringend’ (vgl. lat. Lūci-fer, gr. λευκο-φόρος); bari ‘gut’, barv-ok’ ‘gut, bester’; bard ‘Haufe; Kompositum’, dehnstuf. *bhōr- in buṙn ‘Hand, Faust; Gewalt’;
phryg. (κακουν) αββερετ (auch αββερεται) ‘(malum) attulit’;
gr φέρω ‘trage’ (nur Präsenssystem, einmal Partiz. φερτός; Ipv. φέρτε), med. φέρομαι ‘bewege mich schnell’ (ebenso ai. bharatē, lat. ferrī, vgl. oben arm. ber und unten das Alb.), Iter. φορέω ‘trage usw.’ (= alb. mbaj); über φέριστος ‘der Beste’, Kompar. φέρτερος s. oben S. 128 und Schwyzer Gr. Gr. I 3002, 535, 538; über ὄφρα s. Boisacq s. v. und S. 132;
φέρτρον, mit them. Vok. φέρετρον ‘Bahre’ (lat. feretrum aus dem Gr.); φέρμα ‘Frucht, Feldfrucht, Leibesfrucht’; φερνή ‘Mitgift’, äol. mit them. Vokal φέρενα f. ds.;
φόρος ‘Ertrag, Steuer’, -φόρος ‘tragend’, φορά: ‘das Tragen, reichlicher Ertrag, Fülle’; ἀμφ[ιφ]ορεύς ‘Gefäß mit zwei Traghenkeln’;
φόρτος ‘Bürde, Ladung, Last’;
φαρέτρᾱ ‘Köcher’; δί-φρος ‘der den Wagenlenker und den Kämpfer fassende Teil des Streitwagens’; φώρ ‘Dieb’ (= lat. fūr), ἴσφωρες· λησταί, κλέπται. Λάκωνες Hes.; von φώρ abgeleitet φωράω ‘spüre dem Diebe nach’, dann allgemein ‘spüre nach’, φωpά: ‘Hausdurchsuchung’; φωριαμός ‘Kiste zur Aufbewahrung von Kleidern’ auf Grund eines *bhōrios ‘tragbar’.
Von der schweren Basis bh(e)rē- (?): Fut. -φρήσω, Aor. -έφρησα, -φρῆναι (mit δια- ‘durchlassen’, mit εἰσ- ‘hineinlassen, hineinstecken’, mit ἐκ- ‘herausbringen, herauslassen, entlassen’); paradigmatisch mit (ἐσ)-πι-φράναι (s. oben zu ai. bibhr̥máḥ) zusammengeschlossen.
Ligur. FlN Porco-bera ‘fischführend’, Gando-bera ‘geröllführend’.
Mess. ma-beran, beram usw., tabara ‘Priesterin’ (*to-bherā), dor.-ill. βερνώμεθα· κληρωσώμεθα. Λάκωνες, Hes. (zu gr. φέρνη ‘Mitgift’), unsicher ἀβήρ· οἴκημα στοὰς ἔχον, Hes.
Alb. bie (*bherō), 2. Pl. biṙni ‘bringe, trage, führe’, auch ‘falle, fliege, schieße’, ber, beronje ‘Pfeil’; kompon. *dz-bier, vdjer usw. ‘verliere, vernichte’, ndzjer ‘bringe heraus’, zbjer ‘verliere’; auch bie in der Bed. ‘falle’ (vgl. φέρομαι usw.), wozu dzborë, vdorë usw. ‘Schnee’ (Präf. dz- und *bhērā eig. ‘Niederfallendes, Abfall’); Iterativ *bhoréi̯ō in tosk. mbanj, mbaj, älter mba, geg. mba, mbaj ‘halte an, pflege, beobachte, trage’, nordostgeg. auch vom Tragen trächtiger Tiere gebraucht, mit wiederhergestelltem r auch mbar, bar ‘trage, schleppe’; Kaus. *bhōrei̯ō in griech-alb. bonj, pass. bonem von der Begattung der Stuten und Kühe, eig. ‘mache tragen, mache trächtig’, und dzbonj (usw.) ‘jage fort, verjage, vertreibe’ (*’mache wegstürzen, wegfliegen’); mbarë ‘gut, glücklich’, barrë ‘Last’ (*bhornā, vgl. got barn n. ‘Kind’); mberat ‘schwanger’, bark ‘Bauch’ usw., bar ‘Gras, Kraut’ (*bhoro- ‘Ertrag’);
bir ‘Sohn’ (*bher-, vgl. got. baur ‘Sohn’), bijë, griech. cal. bilë ‘Tochter’ (mit Deminutivsuffix -ëlë, -ëjë);
burrë ‘Mann’ (vgl. zur Bed. ahd. baro ‘Mann’; alb. Gdf. *bhornos, Red.-St. neben got. barn); vermutlich auch mburr ‘lobe’, mbur̄em ‘prahle, bin stolz’.
Lat. ferō, ferre ‘tragen’ (wie gr. φέρω nur Präsenssystem), umbr. fertu ‘fertō’ usw., volsk. ferom ‘ferre’, marruc. ferenter ‘feruntur’ (vgl. von Kompos. ad-, afferō: got. atbaíra; efferō: ἐκφέρω, air. as-biur); ferāx ‘fruchtbar’;
ferculum ‘Trage, Bahre’, praefericulum ‘weites Opfergefäß’; *fertor ‘der Träger’, vorausgesetzt von fertōrius ‘ad ferendum aptus’ und = umbr. ař-fertur, arsfertur ‘flamen’;
fertilis ‘fruchtbar’, päl. fertlid Abl. Sg.;
-fer in Kompos. sekundär statt -for ‘tragend, bringend’; forda f. ‘trächtig’ (do- Erw. des Adj. *bhoró-s ‘tragend’, s. WH. I 527);
fūr ‘Dieb’ (= gr. φώρ, s.o.; zum lat. ū s. WH. I 569);
fors Nom. (= idg. *bhr̥tis), forte Abl. ‘Zufall’ = päl. forte ‘fortūnae’;
fortūna ‘Zufall, Glücksfall, Glück’ (von einem tu-St. *bhr̥-tu-s).
Air. 1. Sg. biru, -biur, 3. Sg. berid ‘tragen’, as-biur ‘sage’, do-biur ‘gebe’, cymr. cymeraf ‘nehme’ usw.; mir. bert m. ‘Bündel, Last’, f. ‘Tat, Plan, Geburt’ usw., birit ‘Sau’ = ai. bháranti ‘tragend’;
air. mir. breth und (eig. Dat. Akk.) brith, breith (Gen. brithe ‘das Tragen, Gebären (Verbaln. zu biru); Geburt; Urteil’ (*bhr̥tā); cymr. bryd ‘Gedanke’ (eher *bhr̥tu- als *bhr̥ti-, s. Lewis-Pedersen 345), corn. brys ‘Gedanke’, brys ‘Mutterleib’; gall. uergo-bretus Amtstitel, falls für *-britos;
ir. barn ‘Richter’, cymr. bret. barn ‘Urteil’ (wohl *bhornos, vgl. oben alb. burre; Pedersen KG. I 51 nimmt -r̥̄-, d. i. erǝ, an);
air. brāth, gen. -o ‘Gericht’, cymr. brawd ‘Urteil’, corn. bres ds., bret. breut ‘plaidoyer’, Pl. breujou ‘les assises de la justice’, gall. Brātu-spantium ON, βρατουδε ‘ex judicio’ (*bherǝ-tu-); gall. *com-boros ‘Zusammengetragenes’, daraus mhd. kumber ‘Schutt, Trümmerhaufen’, nhd. Kummer.
Got. baíran ‘tragen, bringen, hervorbringen, gebären’ (bērusjōs ‘Eltern’);
aisl. bera ‘tragen, ertragen, bringen, gebären’, ags. ahd. beran ‘tragen, hervorbringen, gebären’, nhd. gebären;
got. aisl. ahd. as. barn, ags. bearn ‘Kind’; got. barms ‘Brust’, schwed. dan. barm ‘Brust, Schoß’, aisl. baðmr ‘Busen’, ahd. as. barm ‘Schoß’, ags. bearm ds. (= gr. φορμός? s. S. 137); ahd. baro ‘Mann’;
schwed. mdartl. bjäre (*ƀeron-), bare (*ƀaron-) ‘(zutragendes, d. i.) glückbringendes Zauberwesen’; aisl. Pl. barar, barir, bǫrur ‘Bahre’, ags. bearwe, engl. barrow, ostfries. barwe, ndl. berrie ‘Bahre’;
dehnstufig ahd. -bāri, nhd. -bar (z. B. fruchtbar = Frucht bringend, tragend), ags. bǣre (wæstmǣre ‘fruchtbar’), aisl. bǣrr ‘fähig zum Tragen, tragbar’; ahd. as. bāra, ags. bǣr f. ‘Bahre’ (auch aisl. bāra, mengl. mnd. bāre ‘Woge’? vielleicht hierher als ‘die sich hebende’, vgl. unten die Gruppe von ahd. burian ‘sich erheben’);
schwachstufig got. baúr ‘der Geborene’, aisl. burr, ags. byre ‘Sohn’; got. gabaúr n. ‘Kollekte, φόρος ‘Steuer’, gabaúr m. ‘Festgelage, Schmaus’ (zu gabaíran ‘zusammentragen’), mhd. urbor, urbar f. n. ‘Zins von einem Grundstück’, m. ‘Zinspflichtiger’; ahd. bor f. ‘oberer Raum, Höhe’, ahd. in bor(e) ‘in der Höhe, in die Höhe’, mhd. enbor(e), nhd. empor, ahd. burian, mhd. bürn ‘erheben’; hierher obd. borzen ‘hervorstehen’ = ags. borettan ‘schwingen’ (germ.*-ati̯an), dazu nhd. Bürzel u. purzeln; ahd. giburian, mhd. gebürn ‘sich ereignen, geschehen, rechtlich zufallen, gebühren’, as. giburian, ags. gebyrian, aisl. byrja ‘sich gehören, ziemen, zukommen’, aisl. byrja auch ‘anfangen’, eig. * ‘anheben’, ags. byre, gebyre m. ‘günstige Gelegenheit, Gelegenheit’, got. gabaúrjaba adv. ‘gern’, gabaúrjōþus ‘Wollust’; aus dem Begriff des ‘hochgehobenen, hohen’ entsprang der verstärkende Sinn von ahd. bora-, z. B. in bora-lang ‘sehr lang’, woneben o-stufig as. bar- in barwirdig ‘sehr würdig’; vermutlich auch aisl. byrr m., ags. byre ‘günstiger Wind’, mnd. bore-los ‘ohne Wind’ als ‘(das Schiff) tragend’.
Got. gabaúrþs f. ‘Geburt, Abstammung, Geschlecht’, aisl. burðr m. ‘Tragen, Gebären, Geburt’, byrð f. ‘Geburt’, ags. gebyrd f., ahd. giburt, as. giburd ‘Geburt’, auch ‘Schicksal’ (=ai. bhr̥tí-ḥ, lat. fors); got. baurþei ‘Bürde, Last’, ahd. burdī f. ‘Bürde’, *bhr̥ti̯ōn-: -tīn; aisl. byrdr, ags. byrþen, byrden ds.
Aksl. berǫ, bьrati (bъrati) ‘sammeln, nehmen’, skr. bȅrēm brȁti ds., russ. berú bratь ds. usw. (slav. *bъrati trat an Stelle von alterem *bъrti nach dem Präteritalstamm bsl. *birā-), aksl. brěmę ‘Last, Bürde’, skr. brȅme, russ. mdartl. berémja, ač. břiemě (*bherǝ-men-), aksl.sъ-borъ ‘Versammlung’; ksl. brěždа ‘trächtig, schwanger’, russ. berëžaja ‘trächtig (von der Stute)’, skr. brȅda ds. von Kühen (*bherǝ-di̯ā), im Formans ähnlich lat. forda; aksl. brašьno ‘Speise, Nahrung’ s. unter bhares- ‘Gerste’.
Lit. bérnas ‘Jüngling; Knecht’, alit. ‘Kind’, lett. bę̄̀rns ‘Kind’; wahrscheinlich lett. bars ‘Haufe, Menge’.
Hierher mit Spezialisierung auf das Austragen des Samenkorns: transitiv lit. beriù, bėriaũ, ber̃ti ‘streuen’ (vom Getreide, dann auch von Mehl, Asche usw.), lett. beṙu, bèrt ds., im Ablautintransitiv lit. byrù, biraũ, bìrti ‘streuen, ausfallen’, lett. bir̃stu, biru, bir̃t ‘ausfallen, abfallen’, usw.
Toch. А В pär- ‘tragen, bringen, holen’, vielleicht auch in A kos-preṃ ‘wieviel?’ ku-pre ‘wenn’, täpreṃ ‘wenn’, tāpär(k) ‘jetzt’, falls zu gr. ὄ-φρα ... τό-φρα ‘solange als’ (S.129). Über hitt. bar-aḫ-zi ‘jagt’ s. Pedersen Hitt. 185.
Specht will auch (Dekl. 148), mit i- und u-Formans, ags. bri-d, bird ‘junger Vogel’, germ. brū-tis ‘Frau, Braut’, ai. bhrūṇá- ‘Embryo’, lett. braũna, čеch. brnka (*bhru-nka) ‘Nachgeburt’ hierherstellen. S. aber unter bh(e)reu- ‘quellen’.

WP. II 153 f., WH. I 483 f., 527, 569, 865, 866, Trautmann 31, E. Hermann Stud. Bait. 3, 65 f.

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal