Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

barbier - (kapper, chirurgijn)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

barbier zn. ‘kapper, chirurgijn’
Mnl. des keysers barbier ‘de barbier van de keizer’ [1315-35; MNW-R], als eigennaam in Hannekin Barbier [1382; Debrabandere 1993], ‘chirurgijn’ in dat die barbiers dat bloet, dat zy uutten luden laten, nyet en zullen ghieten in die haven ‘dat de chirurgijns, als ze de mensen aderlaten, het bloed niet in de haven mogen gieten’ [ca. 1485; MNW]; vnnl. ‘kapper’ [1649; WNT].
Ontleend aan Oudfrans barbier ‘barbier, baardscheerder’ [1241] < middeleeuws Latijn barbarius, barberius bij Latijn barba ‘baard’, zie → baard.
Tot de bevoegdheid van de barbier behoorden zowel medische taken (aderlaten, opereren) als het baardscheren. Dat blijkt ook uit mnl. baertmakere ‘barbier, chirurgijn’ zoals in here janne den baerdmakre [1284; CG I, 756]. De betekenis ‘heelmeester’ komt nog voor bij Pieter Langendijk in de 18e eeuw.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

barbier [kapper] {ba(e)rbier 1343-1344} < frans barbier < middeleeuws latijn barbarius, barberius [barbier, chirurgijn], van barba [baard].

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

barbier znw. m., mnl. barbier ‘barbier, wondmeester’ < fra. barbier > laat-lat. barbārius, afgeleid van barba ‘baard’.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

barbier znw., mnl. barbier m. “barbier, chirurgijn”. Uit fr. barbier en dit uit mlat. barbărius, een afl. van barba “baard”. Ook in andere germ. talen ontleend. In het Mnl. is baertmākere m. “barbier, heelmeester” gewoner.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

barbier m., uit Fr. id., van Mlat. barbarium (-us), afgel. van barba = baard (z.d.w.).

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

1barbier s.nw. (minder gebruiklik)
Baardskeerder of haarkapper.
Uit Ndl. barbier (al Mnl.).
Ndl. barbier uit Fr. barbier uit Middeleeuse Latyn barbarius wat 'n afleiding is van barba 'baard'.
D. Barbier (15de eeu), Eng. barber (ongeveer 1320).

J. van Donselaar (1989), Woordenboek van het Surinaams-Nederlands, Muiderberg

barbier’ (de, -s), herenkapper. Met moeite had de barbier de bange Wimpie op de stoel gekregen om zijn haar te knippen (BN 115:41; 1979). - Etym.: In AN veroud. Vgl. E barber = id. -Zie ook: kapper*.

Thematische woordenboeken

Nicoline van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

barbier (Frans barbier)
Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

barbier ‘kapper’ -> Deens † barber ‘herenkapper’ (uit Nederlands of (Neder- of Hoog-)Duits); Noors † barber, barberer ‘herenkapper’ (uit Nederlands of Nederduits); Indonesisch barbir ‘kapper’; Negerhollands barbeer, barbierman, barbier ‘kapper, geneesheer, arts, tovenaar’; Sranantongo barbir ‘kapper’; Sarnami bárbir ‘kapper’; Surinaams-Javaans barbir ‘kapper’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

barbier kapper 1343-1344 [MNW] <Frans

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut