Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

barbaar - (onbeschaafd mens, wreedaard)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

barbaar zn. ‘onbeschaafd mens, wreedaard’
Mnl. barbarien (mv.) ‘heidenen’ [1290; CG II, En.Cod.], baerber, barbaer, barber ‘ongelovige, heiden’ [1348; MNW], barberiensche ‘Saraceen’ [ca. 1350; MNW], (als bn.) barbarsch ‘niet-Grieks’ [ca. 1430; MNHWS]; vnnl. (als bn.) barbaars ‘wreed’ [1697; WNT verkrachten]; nnl. barbaar in kunstbarbaar ‘persoon zonder smaak of kennis op cultureel gebied’ [1855-57; WNT kunst], ‘wreedaard’ [1856-59; WNT hart I].
Al dan niet via Frans barbare ‘vreemdeling’ [1308; Rey] ontleend aan Latijn barbarus ‘vreemdeling, buitenlander; onbeschaafd mens’ (ook als bn. ‘woest, onbeschaafd’), uit Grieks bárbaros (bn.) ‘niet-Grieks (sprekend)’. De vorm mnl. barber stamt in elk geval rechtstreeks uit het Latijn.
Het woord duidt oorspr. iemand aan die een onverstaanbare (want: niet-Griekse, meestal Perzische) taal spreekt, en dus ‘brabbelt’ (zoals in Latijn balbus ‘stotterend; de stotteraar’ en Sanskrit barbara- ‘stamelend’, in oorsprong ongetwijfeld klanknabootsende vormingen, zie ook bijv.babbelen). Grieks bárbaroi (mv.) sloeg oorspr. op alle niet-Griekssprekende volken; later werd het met name van toepassing op de Meden en de Perzen, en na de Perzische oorlogen is de betekenis ‘woeste, onbeschaafde volken of lieden’ geworden.
In het Middelnederlands werd het vooral een aanduiding voor een ongelovige, een heiden, meer bepaald een Saraceen. Het land van de Berbers, Barbarije (mnl. barbarien [1290; CG II, En.Cod.], van Arabisch barbar ‘Berber’, zie → berber) werd in Europa geïdentificeerd met Latijn barbaria ‘land der barbaren’.
barbarisme zn. ‘fout tegen het taaleigen door het voorbeeld van een andere taal’. Nnl. barbarismen (mw.) ‘grofheden’ [1780; WNT], barbarisme ‘fout door invloed van andere taal’ [1832; WNT velleïteit]. Ontleend aan Frans barbarisme ‘taalfout’, eerder al ‘grof taalgebruik’ [1265; Rey], al dan niet via Latijn barbarismus < Grieks barbarismós ‘grofheid, woestheid’, een afleiding van bárbaroi ‘buitenlanders, woestelingen’.

EWN: ♦ barbarisme zn. 'fout tegen het taaleigen door het voorbeeld van een andere taal' (1780)
ANTEDATERING: Als eenen Vremdeling Fransch spreékt, en in de fransche woórden, die hy gebruykt, den zwier en de constructie van zyne moeder- tael behoud, zoo noemt men dit een "Barbarisme" [1763; Des Roches, 261]
[J. Luif (2010-2018), 'Oudere dateringen van woorden uit het EWN', in: Trefwoord (bewerkt)]

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

barbaar [onbeschaafd persoon] {barber [barbaar, heiden] 1348} < frans barbare [idem] < latijn barbarus [on-Grieks en on-Romeins, onbeschaafd] < grieks barbaros [vreemdeling, niet-Grieks, onbeschaafd], eig. gezegd van iemand wiens taal klinkt als bar-bar-bar, vgl. ons gebruik van een herhaaldelijk achter elkaar gesproken rabarber ter nabootsing van het geluid van een volksmenigte (die men, net als de barbaar, niet kan verstaan) (vgl. braaf).

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

barbaar znw. m. < fra. barbare < lat. barbarus, gr. bárbares ‘wie tot een ander volk behoort’, eig. ‘wie een onverstaanbare taal spreekt en dus schijnt te brabbelen’; vgl. oi. barbara- ‘stamelend’. De overgang tot ‘onbeschaafd’ en dan > ‘onmenselijk, wreed’, betekenissen die eerst in het Humanisme optreden.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

barbaar znw. Evenals hd. barbár m. uit fr. barbare; dit komt evenals mnl. mhd. barber m. van lat.-gr. barbarus, bárbaros “vreemdeling, niet-Griek”. Mnl. komt ook barbarien, -ijn m. = barber “barbaar, ongeloovige” voor. Uit ofr. barbarin.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

barbaar m., gelijk in alle Eur. talen, uit Lat. barbarus, van Gr. bárbaros = die bar, bar spreekt, die onverstaanbaar spreekt: onomatop.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

barbaar s.nw.
1. Lid van 'n onbeskaafde stam of volk. 2. Wreedaard. 3. Onverfynde, ruwe persoon.
In bet. 1 mntl. uit Eng. barbarian (1604) 'iemand wat nie aan die kultuur van die Grieke, Romeine, Christene of It. Renaissance behoort het nie'. In bet. 2 en 3 uit Ndl. barbaar (ongeveer 1720 in bet. 2, 1856 - 1859 in bet. 3). Eerste optekening in Afr. in Patriotwoordeboek (1902).
D. Barbar (15de eeu), Fr. barbare.

Thematische woordenboeken

M. De Coster (2007), Groot scheldwoordenboek: van apenkont tot zweefteef, Antwerpen

barbaar: onbeschaafd of wreed persoon. Iemand zonder smaak of kennis of kennis op gebied van kunst noemt men een kunstbarbaar. Van het Griekse woord barbaros (vreemdeling).

‘Maar welke barbaren wonen er dan toch op het Huis,’ vroeg ik: ‘dat niet een van hen de beleefdheid heeft u te komen zoeken?’ (Jacob van Lennep, De lotgevallen van Ferdinand Huyck, 1840)

Nicoline van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

barbaar (Frans barbare)

T. Pluim (1922), Wetenswaardig allerlei: bijdragen tot algemeene kennis voor studeerenden bijeenverzameld door T. Pluim, Groningen

Barbaar (Gr. barbaros, Lat. bárbarus). De Grieken verdeelden de bewoners der wereld in twee deelen: in Grieken en in barbaren (d. i. vreemdelingen). Daar zij een hoogen trap van beschaving hadden bereikt, zagen zij laag neer op de vreemdelingen, en zoo kreeg barbaar de beteekenis van: onbeschaafd, ruw en wreed mensch.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

barbaar ‘onbeschaafd persoon’ -> Indonesisch barbar ‘onbeschaafd persoon’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

barbaar onbeschaafd persoon 1348 [MNW] <Frans

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut