Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

bankroet - (faillissement), (failliet)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

bankroet zn. ‘faillissement’, bn. ‘failliet’
Vnnl. banquerupt (zn.) [1524; MNHWS], vluchtich ende banckroeten (bn.) [1526; De Bruijn-van der Helm 1992], banckerouten (mv.) ‘bankroete personen’ [1540; WNT], bancqueroutte [1545; Stall.], banckerote [1555; Claes 1994a].
Ontleend aan Frans banqueroute ‘faillissement’ [1466] < Italiaans banca rotta, combinatie van het zn. banca (zie → bank 2) en het bn. rotto ‘gebroken, kapot, failliet’, dat teruggaat op Latijn ruptus, verl.deelw. van rumpere ‘breken’, verwant met → roven.
De Vroegnieuwnederlandse vorm banquerupt wijst op schriftelijke aanpassing aan het Latijn, dat men achter het Frans en het Italiaans herkende. De uitspraak is daarentegen, gezien de verdere attestaties, niet aangepast; in het Engels is dat wel gebeurd.
De betekenis ‘platzak, failliet’ voor rotto bestaat in het Italiaans al sedert het begin van de 14e eeuw naast de betekenis ‘gebroken, kapot’, zie → rut. De ook in moderne etymologische werken steeds weer herhaalde verklaring, dat de wisseltafel van een geldhandelaar werd stukgeslagen bij faillissement, komt voor verantwoording van de 18e-eeuwse Italiaanse rechtsgeleerde Domenico Azuni (1749-1827) (geciteerd in Viani) en moet naar het rijk der pseudo-etymologie verwezen worden.
bankroetier zn. ‘hij die (ten gevolge van fraude) failliet gaat’. Vnnl. banckerotier [1582; Stall.], banqueroetiers (mv.) [1637; WNT vertureluren], Bancqueroutier, banck-breker/achter-uytvaerder [1654]. Ontleend aan Frans banqueroutier [1540; Rey].
Lit.: P. Viani (1858-60) Dizionario di pretesi francescismi, Firenze

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

bankroet [bankbreuk, faillissement] {banckerote 1555} < frans banqueroute < italiaans banca rotta, van banca < middeleeuws latijn banca [bank, tafel van een geldwisselaar] (vgl. bank) + rotto, rotta [gebroken en sedert begin 14e eeuw ook failliet], ontstaan uit latijn ruptus, verl. deelw. van rumpere [breken]. Wanneer een geldwisselaar failliet ging, werd zijn tafel kapotgeslagen.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

bankroet znw. o., eerst nnl. bekend, vgl. echter laat-mnd. bankerut. — < fra. banqueroute < ital. banca rotta ‘gebroken bank’. Het woord stamt niet van een (overigens niet overgeleverd) gebruik van een wisselaar, die niet meer betalen kon, de bank stuk te slaan, maar ital. rotto betekent sinds het begin van de 14de eeuw ‘failliet’ (Kluge-Mitzka 49).

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

bankroet znw. o. (vroeger ook v.) en bnw., eerst nnl. Via fr. banqueroute uit it. banca rotta “gebroken bank”. Evenzoo de hd. vorm bankrutt, terwijl hd. bank(e)rott m. en Kil. bancke-rote direct uit het It. komen. Eng. bankrupt < mlat. banca rupta.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

bankroet. Laat-mnd. bankerut. Eng. bankrupt met verlatijnste spelling (en daaraan aansluitende uitspraak) voor ouder banqueroute < fr. banqueroute).

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

bankroet o., uit Fr. banqueroute, van It. banca rotta = gebroken bank, omdat den wisselaar die niet meer kon betalen, op het foro zijn wisselbank gebroken werd; banca is bank (z.d.w.) en rotta is Lat. ruptam (-a), v.d. van rumpere = breken (z. roof).

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

bankrot b.nw.
1. Insolvent. 2. Platsak. 3. Sonder geestelike krag.
Uit Ndl. bankroet (Mnl. bankerot) of D. bankerott.
Ndl. bankroet en D. bankerott uit Fr. banquerotte uit It. banca rotta 'gebreekte bank', saamgestel uit banca 'tafel van geldhandelaar' en rotta, verlede dw. van rompere 'breek', so genoem vanweë die gewoonte van die It. geldskieters in die Middeleeue om in It. stede die toonbanke van handelaars wat nie hulle verpligtinge nagekom het nie, stukkend te slaan.

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

bankrot: “insolvent”; Ndl. bankroet (ouer bankeroet/banckerote), soos Hd. bankerott uit Fr. banqueroute uit It. banca rotta, “gebreekte bank”; Eng. bankrupt uit Ll. banca rupta.

Thematische woordenboeken

Nicoline van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

bankroet (Frans banqueroute)

T. Pluim (1922), Wetenswaardig allerlei: bijdragen tot algemeene kennis voor studeerenden bijeenverzameld door T. Pluim, Groningen

Bankroet (Fr. banqueroute, en dit uit het Ital. banco-rotto = gebroken bank). Wanneer oudtijds in Italië een wisselaar (bankier) zijn betalingen staakte, werd zijn bank of tafel stukgeslagen. Vandaar ook ’t meer Nederlandsche: bankbreuk. Het bankroet-worden noemde men in ’t Ital. Fallire; van hier ons: failliet en faillissement.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

bankroet ‘failliet; faillissement’ -> Russisch bankrút ‘failliet; faillissement’; Oekraïens bankrót ‘failliet; faillissement’ ; Wit-Russisch bankrút ‘failliet; faillissement’ ; Azeri bankrot ‘failliet; faillissement’ ; Noord-Sotho pankoroto ‘failliet; faillissement’ (uit Afrikaans of Engels); Indonesisch bangkrut ‘failliet; failliet gaan’; Boeginees bângkerú ‘failliet; faillissement’; Javaans bankrut ‘failliet’; Madoerees bangkrūt ‘failliet; faillissement’; Menadonees bangkrut ‘failliet; faillissement’; Muna bhangkuru ‘failliet’; Sasaks bangkrut ‘failliet; faillissement’; Creools-Portugees (Ceylon) bankroot ‘failliet; faillissement’; Singalees bankolot ‘failliet; faillissement’; Papiaments bankrut (ouder: bankroet) ‘failliet; faillissement’; Sranantongo bankrutu ‘failliet; faillissement’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

bankroet bankbreuk, faillissement 1555 [Claes] <Frans

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

162. Bankroet gaan,

d.w.z. failliet gaan, zijne betalingen staken, ‘een bankje leggen’, zooals men in de 17de eeuw zeide. Het woord ‘bankroet’ hebben wij ontleend aan het fr. banqueroute, een verfranschten vorm van het Italiaansche banca rotta, dat letterlijk wil zeggen ‘gebroken bank.’. Deze uitdrukking moet ontstaan zijn uit de gewoonte om de tafel van een wisselaar, die zijne betalingen staakte, op het foro weg te breken. Het woord is in de litteratuur het eerst aangetroffen in de 16de eeuw o.a. bij Anna Bijns, Refr. bl. 37:

 Sulc weerlijc seyt, dat de geestelijcke dolen,
 En tsijn de vuylste kinder vander scholen,
 Die den lien thare ontdragen en ontrumen;
 Theet banckeroete, in duytsche ghestolen.

Zie verder het Ndl. Wdb. II, 993-995; Kiliaen: bancke-rote, argentaria dissoluta; Plantijn: bancqueroet spelen, jouer banqueroute, cedere bonis, foro cedere, decoquere; fr. faire banqueroute; hd. Bankerott machen; eng. to become a bankrupt.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut