Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

banier - (veldteken, vaandel)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

banier zn. ‘veldteken, vaandel’
Mnl. baniere ‘vlag, veldteken’ [1285; CG I, 1020], baniere ‘veldteken’ [1285; CG II, Rijmb.], banier, banre in samenstellingen als banierdragher, banredreigher ‘banierdrager’ [1338-42; MNHWS]; vnnl. baniere [1599; Kil.].
Ontleend aan Oudfrans baniere ‘vaandel’ [eind 12e eeuw; Rey] (Nieuwfrans bannière), met assimilatie van de d (onder invloed van pgm. *banna-, zie → ban, → bandiet) ontstaan uit ouder *bandière. Dat is een vorm die ook bewaard is in andere Romaanse talen, zoals Italiaans bandiera (zie ook → banderol), Spaans bandera, Portugees bandeira, en die met een Romaans achtervoegsel is gevormd uit middeleeuws Latijn bandum ‘vaandel’ (zie → band 1).
Ook de andere Germaanse talen hebben dit woord zonder -d- ontleend: mnd. bannere, bannir; mhd. baniere [12e eeuw] (nhd. Banner); nfri. banier; me. banere [12e eeuw] (ne. banner).

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

banier [vaandel] {baniere 1285} < oudfrans banniere, van ban [oproep van de vorst aan de adel om in de oorlog te dienen] < frankisch ∗ban (vgl. ban1). Een banier was dan waarschijnlijk oorspr. de plaats waar het vaandel voor de oproep geplaatst was.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

banier znw. v., mnl. baniere, bannere < ofra. bannière, banière, dat in de 12de eeuw ontstaan is uit *bandiere ‘plaats waar het vaandel opgericht is’ (en wel onder invloed van ofra. banir ‘aankondigen’ < frank, bannjan). In het Romaans is dit woord gevormd naar westgerm. *banda, dat aan got. bandwa beantwoordt.

Dit bandwa, vgl. ook on. benda ‘aanduiden, duiden op’ verbindt men gewoonlijk met de groep van boenen (AEW 32).

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

banier v., gelijk Hgd. banner en panier, uít Fr. bannière, dat met It. bandiera en Sp. bandera, uit Mlat. banderiam (-ia), van Mlat. bandum = vaandel, uit Go. bandwa = teeken, verwant met boenen.

Thematische woordenboeken

Nicoline van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

banier (Frans bannière)
Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

banier ‘vaandel’ -> Noors banner ‘vaandel’ (uit Nederlands of Nederduits); Sranantongo baniri ‘vaandel’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

banier vaandel 1285 [CG Rijmb.] <Frans

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut