Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

bang - (angstig)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

bang 1 bn. ‘angstig’
Mnl. banghe ‘vreselijk, beangstigend’ [ca. 1350; MNW], ‘benauwend, kwellend’ [1450-1500; MNW], bangelic (bw.) ‘benauwd’ [ca. 1480; MNHWS], ‘angstig’ [1488-95; MNHWS]; vnnl. bang ‘benauwd en angstig’ [1642; WNT euvel I], ‘benauwd, te klein’ [1645; WNT keutel], ‘angstig’ [1650; WNT angstelijk].
Afleiding met → be- van het bn. anghe ‘eng, benauwd’, zie → eng en → angst.
Mnd. bange; mhd. bange (nhd. bange); nfri. bang ‘angstig’ [1802]; < pgm. *biang- (de vocaal is onzeker).
Oorspr. was bang een bijwoord; in tegenstelling tot eng (< pgm. *angja-) heeft het geen umlaut ondergaan. De betekenisontwikkeling loopt van ‘benauwd’ via ‘benauwd en daarom angstig’ naar ‘angstig’.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

bang1* [angstig] {bange [beklemd, benauwd] 1350} van be- + middelnederlands ange [eng, benauwd, beklemd], vgl. middelnederlands het is mi ange [het benauwt me] (vgl. eng1).

P.H. Schröder (1980), Van Aalmoes tot Zwijntjesjager, Baarn

bang

Bang is een wat wonderlijk woord. Het is verwant met angst en met eng. Maar waar komt die b dan vandaan? Wij moeten uitgaan van een woord ang dat in het Middelnederlands voorkwam, in de 17e eeuw nog zeer gewoon was, in de 18e eeuw nog wel gebruikelijk, maar dat nadien is verouderd. Oorspronkelijk was het een bijwoord en werd het in onpersoonlijke zegswijzen gebruikt. Men zeide: het werd hem ange, het doet hem ange voor: het kwelt hem, het benauwt hem. Voor dit bijwoord ang kwam veelvuldig het voorzetsel be- te staan en beide woorden zijn tot een geheel samengesmolten, zoals ook gebeurd is met woorden als: behalve, benevens, benoorden, binnen (samenhangend met in) en buiten (samenhangend met uit).

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

bang bnw., mnl. banghe naast anghe ‘benauwd, kwellend’ en dus gevormd uit *be-anghe. Voor het grondwoord zie: eng.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

bang bnw. Mnl. banghe was nog alleen bijw., ’t kwam op naast anghe in uitdrr. als het doet hem anghe “het maakt hem benauwd, kwelt hem”: een van de factoren, die werkten bij de substitutie van anghe door banghe uit *be anghe, was de geïsoleerdheid van den vorm anghe: het bijbehoorende bnw. was enghe, nnl. eng. Vgl. ohd. engi, ags. enge (bnw.): ango resp. onge (bijw.). Op dgl. wijze kwam ook mhd. mnd. bange (nhd. bang, bange) op, oorspr. als bijwoord. De samenstelling is ’t oudst op md. en ndd. gebied. Dial. (Zaansch) komt ang = “bang” nog voor, evenzoo fri. eang.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

bang bijv., Mnl. banghe + Mhd. bange (Nhd. bang), uit praef. be- en bijw. ang uit *angô, waarnevens bijv. eng uit *angi.

Thematische woordenboeken

Nicoline van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

bang (ik ben -- dat) (vert. van Engels I’m afraid that)

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Angst van den Germ. wt. ang (ook in eng en bang voorkomende) en die zelf weer verwant is met het Idg. angh = nauw, beklemd. De st is het achtervoegsel bij ’t w.w. angen (= benauwen, kwellen); vgl.: „Wat doodsgevaar mij dreef en angde.” Hiervan het w.w. beangen: „Hij sucht, hij quijnt, hij wordt beangt”, later tot bangen samengetrokken: „Wat is daer voor een beest, die u, mijn siel! doet banghen?” Hiervan het bijv. nw. bang.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

bang ‘angstig’ -> Deens bange ‘angstig’ (uit Nederlands of Nederduits); Noors bange ‘angstig’ (uit Nederlands of Nederduits); Zuid-Afrikaans-Engels bang ‘angstig’; Negerhollands bang, ban ‘bang zijn voor, vrezen; angstig’; Berbice-Nederlands banggi ‘angstig zijn’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

bang* angstig 1350 [MNW]

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

156. Zoo bang als een wezel,

d.w.z. zeer bang. De wezel is zeer schuw; vandaar deze spreekwijze. Zie Ndl. Wdb. II, 970; V. Eijk II, 95; Harreb. II, 457; Joos, 12; Fokke, Boertige reis, 2, 92: Ze waren zoo bang als wezels voor al wat maar eenigzins op een draak geleek; fri. bang as in weesling. (Aanv.) De wezel is volstrekt niet bang, maar als hij in nood zit, zeer moedig. Zie A. de Cock, Volksgeloof, bl. 108 en vgl. nog Mloop IV, 928: Hy zwijcht, hi duuct als een wezel ende soude gaerne in vreden curen.

455. Als de dood zijn voor,

ook zoo bang als de dood zijn voor, zeer bang zijn voor, eig. wel zoo bang als voor den dood zijn voor; zie Ndl. Wdb. III, 1830. In de 18de eeuw komt de zegswijze voor in W. Leevend IV, 92: Die zelfde meid is zo bang als de dood van een groote vlieg. Ook alleen als de dood zijn, bang, verlegen zijn; o.a. in Sjof. 244: Wat was ze toch bang voor die vent, hè? Ze was as de dood voor 'm. Het tegengestelde is doodelijk van iets of iemand zijn, dol op iets of iemand zijn, eig. doodelijk verliefd zijn.

2536. Bang zijn zich aan koud water te branden,

d.w.z. uit vrees voor een (denkbeeldig) gevaar alle mogelijke voorzorgen nemen alvorens iets te ondernemen; meestal gebruikt ‘om eene ongerijmde voorzichtigheid bespottelijk te maken’; Ndl. Wdb. II1, 971; Harreb. I, 31 a; De Telegraaf, 7 Jan. 1915 (avondbl.) p. 5 k. 1: Een onbegrijpelijke angst zich aan koud water te branden; Handelsblad, 10 Sept. 1913 (avondbl.) p. 1 k. 2: Hoe gereserveerd en deftig en fatsoenlijk bleven duizenden (in 1813) de kat uit den boom kijken. Hoe waren er velen bevreesd zich aan koud water te branden; 25 Maart, 1915 (ochtendbl.) p. 2 k. 5: Mits wij geen vrees koesteren om ons aan koud water te branden en op kleine wijze in onze principiëele schulp gaan kruipen; Het Volk, 24 Febr. 1914 p. 6 k. 2: Het is een stumperige manier van doen en teekent den geest van de leiding der voerliedenvereeniging, die bang is zich aan koud water te branden; in het Friesch: hy is bang dat er him oan kâld wetter barne scil; afrik. hy brand hom aan kou water. De zegswijze is ontleend aan de vrees der honden en katten, die wanneer ze zich eens aan heet water gebrand hebben, ook bang zijn voor koud water. Vgl. lat. tranquillas etiam naufragus horret aquas; mlat. igne semel tactus timet ignem postmodo cattus; De Brune, Bank. I, 99: Een gheschoude kat heeft oock vreeze van koud water; fr. chat échaudé craint l'eau froide; hd. eine gebrühte Katze (oder ein verbrühter Hund) scheut auch das kalte Wasser; eng. a scalded cat (or dog) fears cold water (Wander II, 1175).

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut