Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

bandelier - (draagriem)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

bandelier zn. ‘draagriem’
Vnnl. bandolier ‘patroongordel’ [1607; Sijs 1994], bandelier [1616; WNT bokkelen II]; nnl. ‘sjerp, draagband’ [1862; WNT].
Ontleend aan Frans bandoulière [begin 16e eeuw], dialectisch bandroulière (mogelijk nevenvormen van banderole ‘vaantje’, zie → banderol) < Spaans bandolera ‘draagriem’ bij banda ‘sjerp’, dat van Germaanse oorsprong is, zie → band 1.

EWN: bandelier zn. 'draagriem' (1607)
ANTEDATERING: ses honderd bandelieren '600 patroongordels' (spelling niet zeker) [1599 ; Register, 185]
Later: Bandelieren 'patroongordels' [1608; Stevin, 99] (EWN: 1616); Kleed en Bandelier ('draagband') van een groene Couleur [1753; Opregte Groninger courant (KB) 4/5] (EWN: 1862)
[J. Luif (2010-2018), 'Oudere dateringen van woorden uit het EWN', in: Trefwoord (bewerkt)]

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

bandelier [draagriem voor sabel] {1607} < frans bandoulière [schouderriem] < spaans bandolera, van banda [sjerp], uit het germ., vgl. binden.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

bandelier znw. m. < fra. bandoulière ‘riem, waaraan de kruitzakjes voor de musketten hingen’. Daarnaast komt ook voor fra. bandroulière, indien dit de oudste vorm is, dan gevormd van banderole ‘geweerriem’ en dit weer uit ofra. bende, dat mogelijk teruggaat op gotisch binda, dat als soldatenwoord in het Romaans werd overgenomen (Gamillscheg 74).

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

bandelier znw., nog niet bij Kil. Evenals hd. bandelier o. via fr. bandoulière uit spa. bandolera.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

G.J. van Wyk (2007), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Supplement, Stellenbosch

bandelier s.nw.
Riem oor die skouer en bors waarin patrone of 'n swaard gedra word.
Uit Ndl. bandelier (1607).
Ndl. bandelier uit Fr. bandoulière 'skouerriem' uit Sp. bandolera, 'n afleiding van banda 'serp'.

Thematische woordenboeken

Nicoline van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

bandelier (Frans bandoulière)

T. Pluim (1922), Wetenswaardig allerlei: bijdragen tot algemeene kennis voor studeerenden bijeenverzameld door T. Pluim, Groningen

Bandelier (Fr. bandoulière, en dit aan het Spaansche bandolera). Zoo noemde men den riem, dien de musketiers (de soldaten met een musket of geweer) dwars over den schouder droegen en waaraan aanvankelijk de kruitmaatjes, later de patroontasch gedragen werden. Van lieverlede kreeg het woord ook de beteekenis van sjerp.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

bandelier ‘draagriem voor sabel’ -> Engels bandoleer ‘schouderriem; patroongordel’ (uit Nederlands of Frans); Esperanto bandoliero ‘schouderriem’ .

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal