Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

band - (strook stof om te binden)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

band 1 zn. ‘bindstrook; verbintenis; boekdeel; ring om wiel’
Mnl. bant ‘verbinding, boei’ [1240; Bern.], banden (mv.) ‘stroken om mee te binden’ [1282; CG I, 620], banden (mv.) ‘boeien’ [1285; CG II, Rijmb.], band ‘verbond’ [1285; CG II, Rijmb.]; vnnl. band ‘boekomslag’ [1647; WNT]; nnl. bandjes ‘boekdeeltjes’ [1743; WNT], band ‘(lucht)band om een wiel’ [1892; WNT ventiel], ‘geluidsband’ [1976; Dale].
Os. band ‘bindstrook, boei’; ohd. bant, pant (nhd. Band); ofri. band (nfri. bân ‘bindstrook, boei’ [1812], ‘geestelijke band’ [1822]); oe. bend, bænd ‘bindstrook, boei; verbond’ (me. band, bond; ne. band ‘bindstrook, groep’, bond ‘verbintenis’); on. band ‘het binden, bindstrook, boei, verbond’; < pgm. *band- ‘strook om mee te binden, boei’. Uit dezelfde wortel zijn, met achtervoegsels, ook afgeleid: got. bandi ‘boei’; en got. bandwa- ‘teken’, oijsl. benda (werkwoord) < *bandwjan- ‘een teken geven’. Deze laatste stam is overgenomen in het middeleeuws Latijn als bandum ‘vaandel’, wat heeft geleid tot verscheidene Romaanse woorden die weer terug zijn ontleend in het Nederlands, bijv.banier, → banderol, en metonymisch → bende, → band 2. In mindere mate geldt dit ook voor de wortel *band- zelf, zie bijv.bandage, → bandelier.
Ablautende vorm met o-voltrap van de wortel pie. *bhendh-, waaruit ook pgm. *bindan-, zie → binden.

EWN: band 1 zn. 'bindstrook; verbintenis; boekdeel; ring om wiel' (1240)
ANTEDATERING: onl. bant 'boei, band' in: zů then benthen 'in de boeien' [1151-1200; ONW]
Later: legt U vast op de band ('geluidsband') [1950; Limburgsch dagblad (KB) 21/10] (EWN: 1976)
[J. Luif (2010-2018), 'Oudere dateringen van woorden uit het EWN', in: Trefwoord (bewerkt)]

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

band1* [strook stof om te binden] {bant 1201-1250} van binden. De uitdrukking door de band [gewoonlijk] werd oorspr. gezegd van bv. korenschoven, die onderling qua inhoud nauwelijks afwijken. De uitdrukking uit de band springen [buiten de orde gaan], middelnederlands uten bande springen, is oorspr. gebruikt voor een vat dat springt, uit de banden, de hoepels, gaat.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

band 1 znw. m., mnl. bant ‘band, boei’, os. band, ohd. bant, owfri. band, on. band, afgeleid van het ww. binden.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

band znw., mnl. bant (d) m. “band, boei (en verschill. overdrachtelijke bett.)”. = ohd. bant o. (nhd. band m. o.), os. band m. (v.?), owfri. band (o.?), on. band o. “band, voorwerp om mee te binden”. Germ. *ƀanða- is een verbaalnomen bij binden, = oi. bandhá- “het binden, band”. Hiernaast andere germ. stammen met dezelfde bet.: got. bandi v., ofri. bend m., bende o. v., ags. bend m. v.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

band. De ofri. vormen zijn bend(e) v. o. Ags. bend m. v. o.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

band 1 m. en o., in alle Germ. talen van denz. stam als ’t oud enk. imp. van binden (z.d.w.).

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

J. van Donselaar (1989), Woordenboek van het Surinaams-Nederlands, Muiderberg

band (de, -en), (ook:) wiel met band. - Zie ook: wiel*.

Thematische woordenboeken

Nicoline van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

band ‘boekdeel’ (Duits Band)

P.G.J. van Sterkenburg (2001), Vloeken. Een cultuurbepaalde reactie op woede, irritatie en frustratie, 2e druk, Den Haag

band. De woordgroep lekke band in de regen!, die nu als uitroep gebruikt wordt, is een eufemistische substitutievloek voor Leidsman ten leven, een erenaam voor de God der christenen. De oorspronkelijke betekenis van deze verdoezelende vloek is gelijk aan die van godverdomme. Thans drukt de vloek op schertsende wijze vooral verbazing, ongeloof e.d. uit.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

band ‘magneetband’ -> Sranantongo banti ‘geluidsband, videoband; opnemen op geluids- of videoband’; Surinaams-Javaans † banti ‘magnetofoonband’ (uit Nederlands of Engels).

band ‘strook stof om te binden; verbond’ -> Oost-Jiddisch bantn ‘strik’ ; Frans bande ‘windsel’ Frankisch; Baskisch banda ‘verband, strook, reep’ ; Russisch bant ‘versteviging van het zeil waar de gaten voor de rifseizings zitten’; Esperanto banto ‘strik, lus’ ; Noord-Sotho lepanta ‘strook stof om te binden; verbond’ (uit Afrikaans of Engels); Xhosa bhanti ‘strook stof om te binden; verbond’ (uit Afrikaans of Engels); Zuid-Sotho lebanta ‘strook stof om te binden; verbond’ (uit Afrikaans of Engels); Shona bhandi ‘broekriem’ ; Jakartaans-Maleis ban ‘strook stof om mee te binden’; Javaans ban ‘buikriem, gordel; kruisband (om drukwerk)’; Kupang-Maleis band ‘buikriem van een zadel’; Madoerees ēbban ‘strook stof om te binden’; Makassaars bâng ‘(gordel)riem’; Menadonees band ‘buikriem van een zadel’; Soendanees ban ‘strook stof om te binden; bretel’; Negerhollands band ‘connectie; verbond’; Papiaments bant ‘band, ceintuur’; Sranantongo banti ‘riem, centuur; knellen, snoeren’; Saramakkaans bánti ‘riem, ceintuur’.

band ‘luchtband’ -> Duits dialect Bant, Fietsband ‘fietsband’; Indonesisch ban; (Bahasa Prokem) band ‘luchtband; (Bahasa Prokem) manier om vrouwen seksueel te rangschikken (vrouwen met de tweede of derde band)’; Balinees ban ‘luchtband’; Boeginees bang ‘luchtband’; Jakartaans-Maleis ban ‘luchtband’; Javaans ban ‘luchtband’; Makassaars bâng ‘luchtband’; Menadonees ban ‘luchtband’; Minangkabaus ban ‘luchtband’; Muna bani ‘luchtband’; Sasaks ban ‘luchtband’; Soendanees ban ‘luchtband’; Petjoh ban ‘luchtband; wiel’ ; Sranantongo banti ‘luchtband’; Aucaans banti ‘luchtband’; Sarnami banti ‘luchtband’; Surinaams-Javaans ban ‘luchtband; wiel’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

band* strook stof om te binden 1100-1150 [Rey]

band boekdeel 1734 [WNT] <Duits

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

154. Door den band,

d.w.z. door elkander gerekend, gemiddeld. In de 17de eeuw reeds gebruikelijk, volgens Winschooten, 15: sij sijn door den band soo, dat is, de een soo goed, als den andere; hd. durch das Band; fri. troch de bân. Tuinman heeft m.i. reeds de juiste verklaring van deze uitdrukking gegeven; zie I, 364, waar hij zegt: ‘dit zal overgebragt zyn van gebonden koornschooven, of takkebosschen, die elkanderen meest plegen gelijk te zyn, en d' eene tegen de andere gerekent worden’. Hij vergist zich echter met Winschooten, als hij meent dat de uitdr. door de bank (mnl. dore die banc; hd. durch die Bank; nd. dorch (in) de bank; fri. troch de of 'en bank) hiervan eene verbastering is, daar dit eigenlijk wil zeggen de verschillende vleesch- of vischbanken door elkander genomen, dus: het gemiddelde; zie Noord en Zuid XIX, 28; Hist. Gen. 4, 16, 241; Huygens VII, 287: Vier wijfjens, door de banck van redelyck gerucht; Halma, 117: Door de bank, door den band, gemeenlijk, ordinairement. Steun vindt deze verklaring in het syn. door de mand (vgl. Noord en Zuid XXIV, 252) en de Zuidnederl. uitdr. door (deur) den bot, waarin bot een bos of bundel (fri. botte) beteekent, zoodat deze uitdr. eigenlijk wil zeggen de verschillende bossen of bundels door elkander genomen, het gemiddelde. Vgl. Schuermans, 71 b; Antw. Idiot. 182; Waasch Idiot. 166 b: deurbandig, in 't algemeen, door den band; Ndl. Wdb. III, 675.Paul, Wtb. 59 verklaart durch die Bank als ‘alle ohne Unterschied, eigentl. hinter einander weg, wie sie auf der Bank sitzen’.

155. Uit den band springen,

d.w.z. zich niet houden aan tucht en regel. Sedert de middeleeuwen is de uitdr. bekend; vgl. Sp. d. Leken 190 r: Woudese bi tide hair kinderen dwinghen ende lietse niet wten bande springen. De uitdr. is oorspronkelijk gebruikt van een vat, dat springt, waarbij de banden, dat zijn de hoepels (vgl. hd. FaszbandZie Ndl. Wdb. II, 954; 956, waar plaatsen worden aangehaald van band in den zin van hoepel van een vat; vgl. ook Boekenoogen, 435: kitband.), los gaan, gelijk duidelijk blijkt uit Vondel's Noah, vs. 1138; 1507: De hemel springt, gelijk een volle waterton, aan duigen uit den bant (vgl. hd. aus Rand und Band sein); Winschooten, 15: Uit den band springen, dat is, verwilderen, agteruitslaan; Halma, 39: Uit den band springen, verwilderen, s'écarter de son devoir; Sewel, 57: Uit den band springen, to shake off obedience; fri.: ut 'e bân springe of spatte. Syn. was in de 17de eeuw uit of buiten den bocht springen; zie Ndl. Wdb. III, 21; Jord. II. 100: Hij haatte landziekig gezeur over het buiten-den-bocht springen; vgl. de syn. zegswijzen buiten den band springen (in Nkr. II, 26 Juli p. 4); buiten de duimen springen (Jord. 245); over de streng slaan (eig. van een aangespannen dierN. Taalgids XII, 145.); buiten den pot pissen (veelal van echtbreukZie o.a. Brederoo, Moortje, 1469; Tuinman I, 345; N. Taalgids XII, 145.).

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut