Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

banaal - (alledaags, triviaal)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

banaal bn. ‘alledaags, triviaal’
Vnnl. bannal ‘in gebruik bij alle bewoners van een gebied’ [1537; MNHWS]; nnl. banaal ‘alledaags, platvloers’ [1830; WNT plichtpleging].
Het oude woord is, al dan niet via Oudfrans banal, bannel ‘behorend tot het rechtsgebied’ [13e eeuw; Rey], ontleend aan middeleeuws Latijn bannalis [1032; Rey], afleiding van bannum ‘rechtsgebied’, dat ontleend is aan het Germaans, zie → ban. Het is in het Nederlands niet lang in gebruik geweest. Het huidige woord is later opnieuw ontleend aan het Franse woord banal ‘gewoon, platvloers’ [1778].
De betekenisontwikkeling in het Frans heeft zich voltrokken van ‘behorend tot het rechtsgebied’ via ‘gemeenschappelijk’ (prairie banale ‘meent’, te vergelijken met bijv. mnl. banmolen ‘molen waar de onderhorigen van het rechtsgebied verplicht zijn hun graan te laten malen’ [1382; MNW]) en ‘alledaags’ tot ‘platvloers’ [1778].

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

banaal [alledaags] {bannal [gebruikt door alle bewoners van een bep. gebied] 1537, banaal [alledaags] 1866} < frans banal [oorspr. toekomend aan de heer, dan: banaal], van ban [proclamatie van de heerser, meest voor de collectieve verplichtingen van het volk, zoals krijgsdienst], leidend tot de betekenis ‘algemeen, ordinair’ (vgl. ban1).

P.H. Schröder (1980), Van Aalmoes tot Zwijntjesjager, Baarn

banaal

Banaal is een Frans woord dat in het Nederlands is overgenomen en op Nederlandse wijze wordt uitgesproken. Het Franse banal is afgeleid van het zelfstandige naamwoord ban dat in allerlei Europese talen voorkomt in de betekenissen: plechtige afkondiging (de ban openen en sluiten), rechtsgeding, straf (en speciaal: de straf der verbanning). Ook in de betekenis: rechtsgebied komt ban voor. Vandaar dat het bijvoeglijk naamwoord banal ging betekenen: wat door alle bewoners van een bepaald gebied wordt gebruikt. Het Frans kent bijvoorbeeld: moulin banal en: four (oven) banal. En zo ontstaan de betekenissen: gewoon, alledaags, huisbakken, ordinair, triviaal, die het woord thans heeft.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

banaal bnw. < fra. banal, in de 13de eeuw ‘wat behoort tot een ban of rechtsgebied’ > ‘van algemeen nut of gebruik’> ‘niet origineel’. Het woord is afgeleid van ofra. ban ‘rechtsgebied’ < ofrank. ban.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

banaal b.nw.
Alledaags, afgesaag, platvloers.
Uit Ndl. banaal (1866).
Ndl. banaal uit Fr. banal, wat oorspr. 'wat tot 'n ban, d.i. 'n streek of gebied, behoort', vervolgens 'wat gebruik word deur alle bewoners van 'n sekere streek of gebied' en uiteindelik 'alledaags, gewoon' beteken.
D. banal (18de eeu), Eng. banal (1837).

Thematische woordenboeken

Nicoline van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

banaal (Frans banal)
Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

banaal ‘alledaags’ -> Indonesisch banal ‘alledaags’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

banaal alledaags 1866 [WNT] <Frans

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut