Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

bambocheur - (pierewaaier)

Etymologische (standaard)werken

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

bambocheur [pierewaaier] {1901-1925} < frans bambocheur (vgl. bamser).

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Debrabandere (2011), Limburgs etymologisch woordenboek: de herkomst van de woorden uit beide Limburgen, Zwolle

bamboesjeur, bombezjeur, zn.: schuinsmarcheerder, pierewaaier. Fr. bambocheur ‘losbol’ < Fr. bambocher ‘aan de zwier gaan, uitspatten, pierewaaien’. Fr. bambochade ‘fuif’ gaat terug op It. bambocciata ‘voorstelling van landelijk of ruw volkstafereel, kroegscène’. Dit woord is een afleiding van It. bamboccio ‘dikkerd’, een bijnaam gegeven aan de Nederlandse schilder Pieter van Laer, die van 1628 tot 1638 in Rome werkte en ontzettend zwaarlijvig was. Vanwege die kroegscènes en liederlijke taferelen van Bamboccio en zijn bent kregen bamboche en bambochade de betekenis ‘uitspatting, fuif’. Fr. bambocheur ligt ook ten grondslag aan Bargoens bamser ‘pierewaaier, losbol’. Ook Bargoens bamboesjeur, bamser ‘kroegloper’ (Moormann 476). - Bibl.: N. van der Sijs 1998, 80-82.

F. Debrabandere (2010), Brabants etymologisch woordenboek: de herkomst van de woordenschat van Antwerpen, Brussel, Noord-Brabant en Vlaams-Brabant, Zwolle

anzjoejeur, zn.: levensgenieter. Pseudo-Frans enjoueur, afgeleid van Fr. enjoué ‘opgewekt, vrolijk’. Of pseudo-Frans enjoyer, afgeleid van Fr. joie ‘vreugde’, les joies de la vie ‘de geneugten des levens’ (Claeys).

F. Debrabandere (2007), Zeeuws etymologisch woordenboek: de herkomst van de Zeeuwse woorden, Amsterdam

bamboes, zn. m.: bezem. Naam van een grassoort Bambusa arundinacea en Bambusa vulgaris, nl. bamboe. Het woord ging ook ‘stok’ betekenen, vandaar ‘bezemsteel, bezem’. Bamboes werd ontleend aan Port. bambuz, het meervoud van bambu < Maleis bambû.

bamboezeur, bombazeur zn. m.: pierewaaier; dikdoener, schijnheilige rijke. Ook Wvl. bambocheur, bombasseur, Ovl. (Ronse) bombarseur. Uit Fr. bambocheur < ww. bambocher ‘aan de zwier gaan, uitspatten, pierewaaien’. Fr. bambochade ‘fuif’ gaat terug op It. bambocciata ‘voorstelling van landelijk of ruw volkstafereel, kroegscène’. Dit woord is een afleiding van It. bamboccio ‘dikkerd’, een bijnaam gegeven aan de Nederlandse schilder Pieter van Laer, die van 1628 tot 1638 in Rome werkte en ontzettend zwaarlijvig was. Vanwege die kroegscènes en liederlijke taferelen van Bamboccio en zijn bent kregen bamboche en bambochade de betekenis ‘uitspatting, fuif’. Bambocheur ligt ook ten grondslag aan Bargoens bamser ‘pierewaaier, losbol’. Ook Bargoens bamboesjeur, bamser ‘kroegloper’ (Moormann 476). - Bibl.: N. van der Sijs 2005, 228.

F. Debrabandere (2005), Oost-Vlaams en Zeeuws-Vlaams etymologisch woordenboek: de herkomst van de Oost- en Zeeuws-Vlaamse woorden, Amsterdam

bamboezeur (ZV), bombarseur (R), bombazeur (ZV), zn. m.: pierewaaier; dikdoener, schijnheilige rijke (ZV). Ook Wvl. bambocheur, bombasseur. Fr. bambocheur < ww. bambocher 'aan de zwier gaan, uitspatten, pierewaaien'. Fr. bambochade 'fuif' gaat terug op It. bambocciata 'voorstelling van landelijk of ruw volkstafereel, kroegscène'. Dit woord is een afleiding van It. bamboccio 'dikkerd', een bijnaam gegeven aan de Nederlandse schilder Pieter van Laer, die van 1628 tot 1638 in Rome werkte en ontzettend zwaarlijving was. Vanwege die kroegscènes en liederlijke taferelen van Bamboccio en zijn bent kregen bamboche en bambochade de betekenis 'uitspatting, fuif'. Bambocheur ligt ook ten grondslag aan Bargoens bamser 'pierewaaier, losbol'. Ook Bargoens bamboesjeur, bamser 'kroegloper' (Moormann 476). - Bibl.: N. van der Sijs 1998, 80-82.

boezeneur (E), zn. m.: slemper, pierewaaier. Verkorting van bamboezeur met verlengd achtervoegsel.

A.A. Weijnen (2003), Etymologisch dialectwoordenboek, Den Haag

bombasseur verkwister (Brugge). « fra. bamboucheur ‘fuifnummer’ ~ fra. bamboche ‘marionet’ « it. bamboccio ‘ledenpop’, afl. bij it. bambino ‘kind’.
Bds 1997, nr. 1 blz. 14-15.

F. Debrabandere (2002), West-Vlaams etymologisch woordenboek: de herkomst van de West-Vlaamse woorden, Amsterdam

bambocheur (K), bombasseur (B, M): verkwister, pierewaaier, losbol, fuifnummer. Fr. bambocheur, bambochard < ww. bambocher ‘aan de zwier gaan, uitspatten, pierewaaien’, vandaar dial. bambocheren ‘pierewaaien’ en overgankelijk ww. verbam-boucheren, verbombasseren ‘(zijn geld) verspillen, verkwisten, m.n. aan drank, spel of vrouwen’. Door assimilatie mb > mm en door volksetymologische associatie met bon marché ontstond Kortrijks verbommarseren. Fr. bambochade ‘fuif’ gaat terug op It. bambocciata ‘voorstelling van landelijk of ruw volkstafereel, kroegscène’. Dit woord is een afleiding van It. bamboccio ‘dikkerd’, een bijnaam gegeven aan de Nederlandse schilder Pieter van Laer, die van 1628 tot 1638 in Rome werkte en ontzettend zwaarlijvig was. Vanwege die kroegscènes en liederlijke taferelen van Bamboccio en zijn bent kregen bamboche en bambochade de betekenis ‘uitspatting, fuif’. Bambocheur ligt ook ten grondslag aan Bargoens bamser ‘pierewaaier, losbol’. Ook Bargoens bamboesjeur, bamser ‘kroegloper’ (Moormann 476). - Lit.: N. van der Sijs 1998, 80-82.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut