Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

balsemien - (plant; jong meisje)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

balsemien zn. ‘planten van het geslacht Impatiens
Nnl. balsamine ‘balsemappel’ [1663; Claes 1994a], balzamine [1776; Roches], balsamine [1839; Toll.], balsemien [1869; Toll.].
Ontleend aan Frans balsamine [1545; Rey] < Latijn balsamina ‘balsemboom’ < balsamum ‘balsem(boom)’, zie → balsem. Naast deze vrij recente ontlening bestond ook een vorm mnl. balsamiere ‘balsemboom’ [ca. 1340; MNW] < Oudfrans balsamier (waaruit Nieuwfrans baumier ‘mirreboom’ voortkomt). Ook deze vorm gaat, met ander achtervoegsel, terug op Latijn balsamum.
Uit een soort van deze plantenfamilie wordt wondbalsem bereid.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

balsemien, balsamine [plantengeslacht] {balsamina 1663, balsemien 1871} < modern latijn balsamina < grieks balsaminè [balsemplant] (vgl. balsem).

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Aarts (2017), Etymologisch Dictionairke vaan ’t Mestreechs, Maastricht

belzjemien verouderd, (zn.) jong meisje; < Frans balsamine.

F. Debrabandere (2011), Limburgs etymologisch woordenboek: de herkomst van de woorden uit beide Limburgen, Zwolle

belz(j)emien, balesiem, ben(z)jamin, zn.: balsamien. Uit Lat. balsamina. Ben(z)jamin door volksetymologie.

F. Debrabandere (2010), Brabants etymologisch woordenboek: de herkomst van de woordenschat van Antwerpen, Brussel, Noord-Brabant en Vlaams-Brabant, Zwolle

belzemien, belzjemien, balzemien, benzemien, benzjamien, basjemien, biezemien, poezemien, zn.: balsemien, springzaad, Impatiens balsemina; ook sering. Fr. balsamine < Lat. balsamina, afl. van balsamum ‘balsem’. Benzemien is volksetymologisch door associatie met de voornaam Benjamin. Goemans vermeldt evenwel ook Leuvens belzamien voor de voornaam Benjamin. De bet.‘sering’ door verwarring met zjezemien.

F. Debrabandere (2005), Oost-Vlaams en Zeeuws-Vlaams etymologisch woordenboek: de herkomst van de Oost- en Zeeuws-Vlaamse woorden, Amsterdam

balsemine, belsemine (G), balzemine, belzemine (ZO), balzemien (L), balsemien, belsamien, belzemien, beljamien, benjamien, bellarmien (W), zn. v.: springzaad, Impatiens noli-tangere, Impatiens balsamina. Fr. balsamine < Lat. balsamum 'balsem'.

Thematische woordenboeken

W. Deconinck (2019), Plantennamen nader toegelicht, Kortrijk.

balsemien – springzaad
reuzenbalsemien | impatiens glandulifera royle
klein springzaad | impatiens parviflora dc.

De Reuzenbalsemien is oorspronkelijk afkomstig uit India en het Himalayagebergte en komt vanaf de 19de eeuw verwilderd in heel Europa voor, vooral in de buurt van water. De plant werd vroeger en soms ook nu nog als sierplant gekweekt. Bij gunstige omstandigheden kan ze tot twee meter hoog worden en reus in de naam is dus wel verantwoord. Als de vruchten aangeraakt worden of een windstoot ondergaan worden de zaden op een spectaculaire manier ver weg geschoten.
In het in 1549 verschenen Nederlandse kruidenboek Den Nieuwen Herbarius, dat is dboeck vanden Cruyden van Leonhart Fuchs (1501-1566), een vertaling van zijn in 1542 verschenen Latijnse kruidenboek De Historia Stirpium, wordt verwezen naar een verband tussen de helende balsem en de plant Balsemien: “De vrucht leyt men sommige dagen in olie te weycke, ende men setse in de sonne, daerna dectmense met mist [mest] oft eerde so langhe dat sy verrottet. Ende die olie heeft dan de cracht van Balsem, also sij seggen, om allerley wonden te heylen [helen]. Ende door dien heetment Balsemcruyt.” In de in 1554 verschenen eerste uitgave van zijn kruidenboek beschrijft Dodoens het Balsam appel manneken en het Balsam appel wijfken, dat later Balsamina femina genoemd werd en nu Tuinbalsemien (Impatiens balsamina L) heet. Dodoens heeft het over een “olie die met den vruchten [van die Balsam appel] in die sonnen ghewonnen es, heylt alle wonden.” De Vlaamse plantkundige Matthias de Lobel (1538-1616) vermeldt in zijn in 1581 verschenen Kruydtboeck oft beschrijvinghe van allerleye ghewassen over de Balsamina dat de plant dient “om de wonden daen mede toe te heylen ende de pijnden vande quade sweeren ende zeericheden te versoeten met een constelicke Balsem die vande ghestooten Balsem-appel oft in d’olie ghesoden [gekookt] ghemaeckt oft bereydt wordt, waer af dat… de gheheele plante Balsamina ghenoemt is.” Het woord balsemien in Reuzenbalsemien en Tuinbalsemien verwijst ernaar dat vroeger met delen van een Balsamina een olie bereid werd die een balsemende, d. i. een pijnverzachtende, werking op de huid had.
Klein springzaad stamt uit Oost-Siberië en Mongolië en is in het midden van de 19de eeuw vanuit verschillende plantentuinen verwilderd geraakt. De plant breidt zich over Vlaanderen voortdurend uit. De naam Springzaad slaat op het wegspringen van de zaden uit een vrucht, zoals bij de Reuzenbalsemien.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

balsemien, balsamien plantengeslacht 1663 [Claes] <modern Latijn

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal