Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

balorig - (gemelijk, weerspannig)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

balorig bn. ‘gemelijk, weerspannig’
Mnl. balhorich ‘slecht horend, het horen moe’ [1484; MNW]; vnnl. baloorich oft balhoorich maken [1574; Kil.], baloorich ‘gemelijk’ [1610; WNT rellen I].
Samenstellende afleiding met → -ig uit het werkwoord → horen in de betekenis ‘luisteren’ en een eerste lid bal- ‘slecht’ zoals in → baldadig. De uitspraak met een zwak gearticuleerde h en associatie met het zn.oor hebben volksetymologisch tot de huidige vorm geleid. De oorspr. betekenis was ‘slecht horend’, waaruit de huidige betekenis ‘niet willende luisteren, weerspannig, gemelijk’ ontstond.
In de andere Germaanse talen niet gebruikelijk, alleen ofri. balorig ‘het horen moe’ (nfri. baloarich ‘onwillig, weerspannig’ [1836], balearich [1869]).

EWN: balorig bn. 'gemelijk, weerspannig' (1484)
ANTEDATERING: balhorig 'het horen moe' [1437; MNW-P]
[J. Luif (2010-2018), 'Oudere dateringen van woorden uit het EWN', in: Trefwoord (bewerkt)]

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

balorig* [verdoofd, niet willende luisteren, weerspannig] {balhoerich [hardhorend, doof, het horen moe] 1477} van bal (vgl. baldadig) + horen; op het ontstaan van het huidige balorig is oor mede van invloed geweest.

P.H. Schröder (1980), Van Aalmoes tot Zwijntjesjager, Baarn

baldadig

Er zijn in het Nederlands drie woorden die duidelijk bij elkaar horen: baldadig, balorig en balsturig. In alle drie betekent bal: slecht. Een baldadige jongen verricht dus slechte daden, in het bijzonder straatschenderijen. Balorig luidde vroeger: balhorig, doof. Nu verstaan wij er onder: iemand die niet horen wil, die tegen de keer in is, uit z’n humeur. Balsturig is nu ook wel duidelijk. Men zei het voorheen van schepen; in het Westfries wordt het gebruikt van moeilijk te regeren paarden. En in die zin van wederspannig bezigen wij het ook van mensen.

Wie aan dit drietal het woord ballast zou toevoegen, zou een fout maken. Ballast komt van bar-last: bare, blote last, waardeloze last. Het woord bar komt in deze betekenis ook voor in: barrevoets, blootsvoets.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

balorig bnw., mnl. balhōrich ‘moe van het horen’, vgl. nd. balhoerich ‘doof’. De vorm balorig, vgl. ook oostfri. balōrig ‘die niet horen wil’ is beïnvloed door het woord oor. — Voor het 1ste lid zie: baldadig.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

baloorig bnw. De oudste vorm is balhoorig, mnl. balhôrich “moe van het hooren”, Teuth. balhoerich “doof” (nog westf. balhæ̊rig “die niet wil hooren”). Hieruit ontstond ndl. baloorig, ook oostfri. balôrig “die niet hooren wil”, dat zich in dezen vorm handhaafde doordat men in het 2e lid oor voelde. Het woord is niet oud en ontstond naar analogie van andere woorden met bal- als baldadig. Uit de ospr. bet. “slecht hoorend” is ook die van vla. baloorde “assourdi, abasourdi” te verklaren.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

baldadig. I.pl.v. ohd. balo o. lees: ohd. balo m. (o.).
De oudste bet. van dit germ. znw. *ᵬalwa- was misschien ‘plaag, kwelling’, vgl. got. balwjan = gr. basanízein ‘met pijniging ondervragen, folteren’. De ethische betekenis ‘slechtheid, zonde’ zal dan onder invloed van het Christendom zijn opgekomen. Vgl. Weisweiler IF. 41, 70 vlgg.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

baloorig bijv., + Ndd. balhörig, Westvl. balhoorde, saamgest. met bal van baldadig (z.d.w.) en een afleid. van hooren, later verward met oor.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

balhorig b.nw. Ook balorig.
1. (verouderd) Effens doof deur geraas. 2. Moedswillig doof.
Uit Ndl. balo(o)rig, vroeër ook balho(o)rig (Mnl. balhorich), met balhoorig as oudste vorm. Ndl. baloorig, wat aan oor herinner, uit W.Faals balhoerig 'wat nie wil hoor nie'. Ndl. balhorig is 'n samestellende afleiding met -ig van verouderde Ndl. bal 'boos, sku, sleg' en hoor, wat óf met 'n hiperkorrekte h, óf na analogie van Ndl. hardho(o)rig gevorm kan wees.
Vgl. baldadig.

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

balhorig: - (minder gebr.) balorig - , “effens doof; moedswillig doof; nukkerig”; Ndl. balo(o)rig (vroeër ook balho(o)rig, reeds Mnl. en by Kil); eerste lid veroud. Ndl. bal-, “boos, sku, sleg”, terwyl horig hiperk. prot. h kan hê of na vb. v. Ndl. hardho(o)rig gevorm kan wees; vgl. ook baldadig.

Thematische woordenboeken

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Baloorig = slecht van oor zijnde (bal = slecht, zie baldadig), doof voor raadgevingen, opstuivend. Evenzoo: balsturig = slecht van stuur zijn (letterlijk een schip, bij overdracht ook een driftig mensch).

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

balorig ‘gemelijk’ -> Fries baloarich ‘onwillig, weerspannig’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

balorig* gemelijk 1637 [WNT baloorig]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut