Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

balk - (lang, dik stuk timmerhout)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

balk zn. ‘lang, dik stuk timmerhout’
Onl. in de plaatsnaam Balkenberg ‘oude plaatsnaam in Zuid-Holland’ [1100-50; Künzel 77]; mnl. balke ‘stuk hout’ [1240; Bern.], balc.
Os. balko; ohd. balc(h)o, balko [9e eeuw] (nhd. Balken); ofri. balka (nfri. balke); oe. balc(a) (ne. balk, baulk ‘balk, belemmering’); < pgm. *balkan- ‘balk’. Met andere ablautvorm: on. bjálki ‘balk’ (nzw. bjälke; nde. bjelke); < pgm. *belkan-; daarnaast als u-stam: on. balkr, bölkr ‘scheidsmuur’ < pgm. *balku-.
Verwant met: Latijn fulcīre ‘dragen, stutten (met balken)’; Grieks phálanx ‘stam, balk’; Lets balziêns ‘stut’; Sloveens blazína ‘dakbalk’; bij de wortel pie. *bhel- ‘plank, balk’ (IEW 122) < *bholǵh-, *bholg-. Misschien zijn ook Latijn sufflāmen ‘remblok’ en Oudiers blog ‘stuk’ met deze wortel te verbinden. Een eventuele verwantschap met pie. *bhel- ‘opblazen, zwellen’ (zie → bal 1 en → bol 1) lijkt, semantisch gezien, zeer onwaarschijnlijk.
Via het Langobardisch, het Italiaans en het Frans heeft dit woord tot → balkon geleid.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

balk* [stuk hout] {in de plaatsnaam Balkenberg (Z.-H.), ligging onbekend <1064>, balc 1201-1250} oudsaksisch balco, oudhoogduits balcho, oudengels bealca, oudnoors bjalki; buiten het germ. litouws balžiena(s), russisch bolozno [plank]. De uitdrukking het over de balk gooien [verkwistend zijn] betekent eig. ‘het hooi over de balk gooien’, d.w.z. bij het werpen in de ruif het ook over de bovenbalk gooien en er niet in. De uitdrukking dat mag wel met een krijtje aan de balk [dat is iets bijzonders] komt van de vroegere gewoonte merkwaardige gebeurtenissen aan te tekenen op de zolderingsbalken, waar ze in het oog vielen en niet uitgewist werden. Zo werd in Friesland bv. in de herberg aangetekend wie het eerst over het ijs aankwam.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

balk znw. m., mnl. balke, balc, os. balko, ohd. balcho, ofri. balka, oe. bealca, alle ontstaan uit germ. *balka. Daarnaast *balku in on. bǫlkr en *belkan in on. bjalki. — gr. phálagks ‘ronde balk, stang der weegschaal, slagorde’, russ. bolozno ‘dikke balk’, lit. balžiena ‘balk aan de eg’, lett. bàlziêns ‘steunhout aan de ploeg’, vgl. ook lat. fulcio ‘stutten’ (IEW 122-3). — Zie: blok en balkon.

De idg. wt. *bheleg betekent ‘balk’, vgl. echter ook *spheleg, waarvoor zie: spalk.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

balk znw., mnl. balke, balc v. “balk (vooral in speciale bett.)”. = ohd. balcho m. (nhd. balken), os. balko, ofri. balka, ags. bealca (eng. balk) m. “balk”. Naast wgerm. *balkan- staan ngerm. *belkan-, on. bjalki m. “balk” en *balku-, on. balkr, bǫlkr m. “scheidsmuur”. Met schwundstufe ags. bolca m. “gangboord op een schip”. Buiten het Germ. zijn verwant lat. sufflâmen (-flâg- uit –bhelǝĝ- resp. bhḷĝ-) “rem- of spanketting”, gr. phálanx “stuk hout, blok, stam, slagorde”, russ. dial. bolozno “dikke plank”, lit. balżënas, balżëna “dwarsbalk” resp. “balk in de lengte (aan de slee)”, oi. bhuríjau “disselarmen”. De idg. wortel is bhelâxĝ-, wsch. met de concrete bet. “stuk hout, blok, balk”. Ook ier. blog “brokstuk” kan hierbij hooren. Vgl. blok en balkon.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

balk m., Mnl. balke, Os. balco + Ohd. balcho (Mhd. en Nhd. balke), Ags. balca (Eng. balk), On. balke (Zw. bjälke, De. bjelke) + Gr. phálanx = blok, Lat. sufflamen (id i. *suf-flagmen) = remschoen, Ru. bolozno = dikke plank, Lit. balżënas = dwarsbalk: z. blok en bolwerk.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

balk ‘stuk hout’ -> Frans bau ‘dekbalk’ Frankisch; Pools belka ‘stuk hout’ (uit Nederlands of Duits); Russisch bálka ‘stuk hout’; Oekraïens bálka ‘groot stuk hout’ ; Indonesisch balak, balok ‘stuk hout; blok; chevron; gebakken cassave; (Bahasa Prokem) bril, militair onderscheidingsteken, hoeveelheid morfine (1030 gram)’; Ambons-Maleis balak ‘stuk hout’; Atjehnees balò' ‘stuk hout’; Balinees balok ‘stuk hout’; Gimán balak ‘stuk hout’; Jakartaans-Maleis balken ‘onbewerkt rond hout’; Javaans balok ‘vierkant gezaagd stuk hout’; Keiëes ballak ‘stuk hout’; Kupang-Maleis balok ‘stuk hout’; Madoerees balu', balo' ‘stuk hout’; Makassaars bâló ‘stuk hout’; Menadonees balk ‘stuk hout’;? Minangkabaus baluak ‘stuk hout’; Nias balok ‘stuk hout’; Rotinees balok ‘stuk hout’; Soendanees balok ‘stuk hout’; Singalees bālka-ya, balka-ya ‘stuk hout’; Negerhollands balk ‘stuk hout’; Papiaments balki ‘stuk hout’; Sranantongo barki, balk ‘stuk hout’; Saramakkaans báíki ‘stuk hout’; Sarnami barki ‘stuk hout’; Surinaams-Javaans baleg, balok ‘houtblok’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

balk* stuk hout 1064 [Künzel]

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

150. Een balk in zijn wapen voeren,

d.w.z. een bastaard zijn. Men moet hier niet aan een balk, doch aan een dunne streep denken, die van den linkerbovenhoek tot den rechterbenedenhoek door het wapen loopt, en linkerschuinstreep genoemd wordt (fr. filet en barre). Zie Rietstap, Handb. 110; Ndl. Wdb. II, 926.

151. Iets (met een krijtje) aan den balk schrijven.

Dit zegt men van iets, dat weinig voorkomt, iets zeldzaams. Vroeger, en in sommige streken geschiedt het nog, schreef men merkwaardige gebeurtenissen aan de balken van de zoldering, waar het niet kon worden uitgewischt en gemakkelijk in het oog viel. Zoo teekent men in Friesland, in de herbergen aan den balk op, wie het eerst over ijs, op schaatsen of met paard en slee aangekomen isW. Dijkstra, Uit Friesland's Volksleven, I, bl. 342.. Vandaar ook de fri. uitdr. hy stiet der (dat komt) oan 'e balke, ook figuurlijk als een waagstuk gelukt is. Den oorsprong dezer gewoonte zoekt A. Schultz, Deutsches Leben im XVI u, XV Jahrh. (Wien, 1892, II, 103) in het Driekoningenfeest: ‘der in dessen Stück der Pfennig sich findet (nl. het stuk van het driekoningenbrood) wird als König begrüsst, auf einem Stuhl gesetzt und dreimal mit Jubel hoch gehoben. Er hat ein Stück Kreide in der Rechten, mit dem er jedesmal ein Kreuz an die Zimmerdecke macht, das sie sehr in Acht nehmen, weil sie es als ein Schutzmittel gegen Unglück ansehen’. De uitdrukking dagteekent uit de 16de eeuw; ze wordt aangetroffen in Trou m. Bl. 112: Men schryft ghemeynlijck over al aen balcken: hy es zeer listich, die den duyvel can verschalcken. Bij Marnix treffen wij haar eveneens aan, doch met het toevoegsel ‘dat de kalvers het niet aflikken’Vgl. ook Wander I, 224: Wir wollen's an Balken schreiben, wo's Gaissen und Kälber nicht ablecken; nd. eine Schuld in den Schornstein, den Kamin in die Esse (oder hinter) schreiben, wo es die Hühner nicht auskratzen., zooals zij thans nog in Zuid-Nederland luidt (De Bo, 76); vgl. Byen-korf, 130: Is dat niet een lieflijcke ende heerlijcke ghetuyghenisse van den Duyvel ontleent, daer de H. Vaderen in 't voorz. Concilie de aenbiddinghe der Beelden mede hebben bevesticht? Sy is voorwaer weert dat mense op de Balcken schrijve, op datse de Kalveren niet af en lecken; Campen, 45: Teekendet ommer hoghe an, dattet die Calveren niet utlicken, bl. 44: Het is daerhen geschreven, dattet ghien Koe aflicket, noch gien Kreye uutkratzet (= Meyer, Spr. 21); Lichte Wigger 8 v: Ick sou 't oock met een crijtje aende balck hebben gaen schrijven, dat Coppen niet een glaesje hadde willen uitdrincken; W. Leevend VI, 5: Wel wat jaagt jou hier? dat mag wel met een krytje aan den balk; Sewel, 56: Men zal 't aan de balk schryven, 't is wat zeldzaams, we must indeed make a cross or cry miracle. Vandaar kon een streep aan de balk beteekenen iets bijzonders; vgl. Lvl. 34: Meneer Bijl, vanavond bij exceptie thuis. Deze streep aan de balk is oorzaak enz. Het Volk (Zondagsblad), 21 Febr. 1914 p. 2 k. 2: ‘Morgen’ zei ze laatst tegen me, ‘morgen blijf ik thuis.’ Dat is een streep aan de balk waard, merkte ik op, ‘dan is er zeker wat bijzonders?’ Zie verder het Schotsch: He may strike a hag (a stroke with a sharp and heavy instrument) i' the post, he has been very fortunate; fr. faire une croix à la cheminée, dat Halma vertaalt door een kruisje aan den balk schrijven; Ndl. Wdb. II, 924; VIII, 256 en over deze gewoonte Ter Gouw's Boek der Opschriften, 117-118In sommige Zuidndl. dial. beteekent iets aan of tegen den balke schrijven, er niet meer op rekenen (vgl. o.a. Antw. Idiot. 180; Rutten, 19).. Hiernaast bestond de uitdr. Het staat in 't kalverboek aangeteekend, het staat sekuur aangeteekend, wees maar niet bang, dat men het zal vergeten. Vgl. Meyer, Spr. 21: Het staet int kalverboeck geteekent: dye kalverens sullens daer niet wtlicken (anno 1550). Onder het kalverboek verstond men dan schertsend zulk een hooge plaats aan den wand of elders, dat zij onbereikbaar was voor de dieren. In Friesland kent men nog het kealleboek, politieregister van verdachte personen. In Deventer bestond in de 18de eeuw het kalverboek, register van onechte kinderen. Zie Ndl. Wdb. VII, 1034.

152. Het (niet) over den balk gooien,

d.w.z. (niet) verkwistend zijn. In de Zaanstreek zegt men ook in denzelfden zin het hooi (niet) over den balk gooien (zie Kluchtspel III, 266); zoo ook in het Friesch dat is hea oer 'e balke, dat is overdadig, meer dan genoeg. De eigenlijke zin dezer uitdrukking is: bij het werpen van hooi in de ruif, dit ook over den bovenbalk heen gooien, dus niet er in; het verspillen. Steun vindt deze verklaring door het bij Sartorius II, 6, 80 vermelde hoy over de balck eten d.i. smullen, overvloedig eten, waaraan ‘over de balk’ de beteekenis ontleende van bovenmatig, zooals in over de balck lacchen (Mnl. Wdb. I, 538; Sart. II, 7, 14), d.i. lachen dat men schudt. Tuinman I, 163 denkt aan de balken in de schuren, waarop het hooi geworpen wordt ‘op dat het daar bewaart zy tot noodig gebruik. 't Geen men over zulk een balk werpt, valt weêr naar beneden, en kan dus verlooren gaan’. Zie het Ndl. Wdb. II, 925; V, 415; Het Volk, 26 April, 1915 p. 1, k 2: Het zijn weer die stomme arbeiders, die niet met het kostbare geld weten om te gaan, en die het maar over den balk smijten; Antw. Idiot. 180; Waasch Idiot. 295: niet veel hooi over den balk te rooien hebben, arm zijn, en vgl. de bij Harrebomée II, 204 voorkomende uitdr. hij gooit het maar over de puije (in Zeeuwsch-Vlaanderen de lage schutting tusschen den dorschvloer en den winkel, de bergplaats van den tas of stapel), hij is verkwistend. In N.-Brab. en in de Betuwe het over den tuin (heg, haag) gooien, smijten; zie Nw. Rott. Courant 27 Sept. 1903 1ste bl. c: Ge mârk dus wel, âsdâ ze hier in de road de financies van de gemeinte nie over de tuin zulle smijte.

1133. Om de keur niet van de balk willen vallen,

d.w.z. geene voorkeur hebben in eene zaak; het eene al even slecht als het andere vinden. Zie Con. Somme, 156: Ic en viele om die core van den balke niet; Sart. III, 1, 12: Ick viel om die keur van die balk niet, de duplici malo dici solitum, ut non magni referat utrum elegeris; ook bij Coster, 519, vs. 717; Brederoo III, 237, 25; Lichte Wigger, 7 r; J.v. Heemskerk, Arcadia (ed. 1756), bl. 34. De oorspr. bet. moet zijn ‘de beide gevallen staan zoo, dat ik mij niets onaangenaams zou willen getroosten voor een van de beide’; ‘balk’ kan worden opgevat als de op eenigen afstand van elkander liggende balken zonder vloer daarover (zooals in sommige korenschuren), waar men tusschendoor kan vallen. Zie het Ndl. Wdb. II, 956; vgl. Campen, 112: Ick wolde om die coer niet op staen of ick wolde om die coer niet wt mijn mont spyen; Adagia, 41: Ick en viel om den kuer van de trappen niet af; Volkskunde XI, 168; XII, 97: Ik zou voor de keur in de gracht niet vallen; Joos, 115; Waasch Idiot. 833; De Bo, 517: 'k En wil van de trappen niet vallen voor de keuze; fri. ik wol my om 'e kar net hingje litte; Wander IV, 1740: Ich möcht umb die Wahl nit darvor die Stiegen hinunter fallen; Ich will der Wahl wegen nicht vom Balken fallen..

1680. Den splinter in een anders oog wel zien, maar niet de balk in zijn eigen,

d.w.z. wel de kleine ondeugden bij een ander waarnemen, maar eigen gebreken niet kennen. Ontleend aan Matth. VII, 3: Ende wat siet gy den splinter die in de ooge uwes broeders is, maar den balck die in uwe ooge is en merckt gy niet? Vgl. lat. in alio peduclum vides, in te ricinum non vides (Petron. 57); Reyn. II, 4792: Sulc siet in eens anders oghe een stro, die selve in sijn oghe een balc heeft (vgl. Hs. 71: Wat siestu een caf in eens anders oghe ende en siestu niet enen balc in dijns selfs); Con. Somme, 402: Dese sien wel een caf in eens anders oghe, mer niet een balc in haers selfs oghe; Brederoo I, 190, vs. 2753; II, 142; enz. Dit gezegde komt in vele talen voor; zie Villiers, 119; Wander, I, 223; IV, 729; fri. hy sjucht de splinter yn oaremans each, mar de balke yn syn eigen each net.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut