Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

baliekluiver - (leegloper)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

balie zn. ‘leuning, toonbank; orde van advocaten’
Mnl. baelgie ‘leuning’ [1290; CG II, En.Cod.], baelie ‘stadsomwalling’ [1299; CG I, 2575], baelge ‘id.’ [1299; CG I, 2577]; nnl. balie ‘orde der advocaten’ [1840; WNT].
Ontleend aan Oudfrans baile, baille ‘slagboom’ (waaraan ook Engels bail, bayle ‘pallissade’ [1523] ontleend is). De verdere herkomst is onzeker. Misschien is het afkomstig van middeleeuws Latijn baculum ‘stok’ (zie → bacil) of bajulare ‘beschermen’. Een andere mogelijkheid is ontwikkeling uit Frans baillier ‘dichtdoen’.
De oorspr. betekenis van balie is ‘omheining, omwalling’. Via ‘afsluiting, hek’ heeft deze zich ontwikkeld tot ‘leuning, balustrade’ en later tot ‘toonbank’. De betekenisontwikkeling tot ‘orde der advocaten’ heeft te maken met het feit dat rechtbanken een balustrade hebben waarachter alleen de advocaten zitting hebben. Deze leuning, de balie, werd aanduiding voor de advocaten zelf (vergelijkbaar met de betekenisontwikkeling van → bar 2 ‘dranklokaal’ in het Engels).
baliekluiver zn. ‘leegloper’. Nnl. baliekluivers (mv.) [1839; WNT vereerend]. Samenstelling met kluiver ‘knager, bijter’, nomen agentis bij → kluiven. Een baliekluiver is iemand die over de leuning van een brug hangt en niets uitvoert; hij kluift als het ware aan de leuning.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

baliekluiver [leegloper] {1860-1875} eig. ‘iem. die over de balies van de bruggen hangt’; van balie1 + kluiven.

Thematische woordenboeken

M. De Coster (2007), Groot scheldwoordenboek: van apenkont tot zweefteef, Antwerpen

baliekluiver: (Bargoens) leegloper; luiwammes; nietsnut. Letterlijk: iemand die over de balie of de reling hangt. Zo iemand noemde men vroeger ook wel spottend een kanunnik in de brug of een kaaiboef. In het militaire slang werden genisten vaak meesmuilend baileykluivers genoemd. Een zinspeling op de zgn. baileybruggen (bepaald type legerbruggen vernoemd naar de ontwerper, sir Donald Coleman Bailey, 1901-1985) die ze bouwden en waar ze, na de gedane arbeid, over gingen hangen. Zie ook bruggentrekker*.

… of wel hangen zij tegen de hekken der huizen aan, idioten als zij zijn, of liggen, ondragelijke baliekluivers, over de leuningen der bruggen kringetjes op het water te spuwen. (Johannes Kneppelhout, Studentenleven, 1841-1844)
Wat stroef! Dat komt omdat je er geen zin in hebt, en liever heele dagen langs de straat loopt slenteren! Je zal me een vent worden, ja! Een luie baliekluiver, een bedelaar word-je! (Pieter Louwerse, Vlissinger Michiel, 1880)
De oploop die zich achter me vormde, vermeerderde onrustbarend: viswijven, gejakt en gemutst, baliekluivers, matrozen en schreeuwende kinderen… (Simon Vestdijk, De grenslijnen uitgewist, 1984)
Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

baliekluiver leegloper 1860-1875 [WNT]

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

149. Baliekluiver,

een leeglooper, ook los werkman; eig. iemand die met zijn gezicht over de balie, de brugleuning hangt, ‘over de baddering kneist’ en daaraan, vooral omdat hij gewoonlijk pruimt, schijnt te kluiven; vandaar dat hij ook leuningbijter genoemd wordt (Zandstr. 38; 47: leuningbijten; Köster Henke, 39), een naam, die te vergelijken is met het hd. Fenstérbeiszerin, Rahmenfresserin, Fensterrahmknauplerin, vrouw die steeds voor 't venster zit uit te kijken. Synoniem van het ww. baliekluiven (zie o.a. Onderm. 57; Het Volk 17 Juli, 1914 p. 3, k. 1) is het westvl. aan de balie hangen, arm zijn, eig. over de balie hangen bij gebrek aan vast werk. Ook is te vergelijken bruggebijten, dat men leest in het Handelsblad, 13 Dec. 1906 ochtendbl. 2de blad, kol. 1: Op harde banken te bruggebijten en het budget van Publieke Werken te zien afrollen is maar half interessant; kol. 2: En weer gingen we zitten bruggebijten op de harde banken. Hiernaast een bruggebijter in Nw. Amsterdammer, 8 Mei 1915 p. 11, k. 3: Er is toch nog wel werk buiten het uwe, en wij zijn niet allen bruggebijters. In het Maastrichtsch een balenger (= baliehanger?)J.H.H. Houben, Het dialect der stad Maastricht, 80.. Zie ook het artikel een pilaarbijter en vgl. nog de Berlijnsche zegswijze: Der spuckt auch den Schwänen auf die Köpfe, er ist brotlos und lungert herum (Erdmann, 1900, bl. 206).

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut