Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

balen - (geen zin hebben, iets heel vervelend vinden)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

balen ww. ‘geen zin hebben, iets heel vervelend vinden’
Nnl. balen [1951; pers.waarn. bij Mak 1971], balen [1963; Nierop 1979], beide in uitroepen en uitdrukkingen als ik heb er (de) balen van, of balen! Pas later als (vervoegbaar) werkwoord balen ‘afkeer hebben’ [jaren 1960; Nierop 1979, Endt 1972], [1970; Broersma].
Afleiding van het zn.baal.
De uitdrukking balen hangt samen met een andere, oudere uitdrukking er tabak van hebben. Tabak werd vanaf de 17e eeuw overdrachtelijk gebruikt voor ‘iets voortreffelijks’. Over onaangename dingen werd dan ironisch gezegd ik heb er tabak van. Om deze uitdrukking meer kracht bij te zetten gebruikte men balen tabak. Dit bleek veelzeggend genoeg om eerst tabak en later ook de rest van de uitdrukking te laten vallen: ik heb er balen tabak van > ik heb er balen van > (het is) balen. In de jaren 1950 en 1960 werden wel termen als balenvent, balenweekend, balenweer, balentempo gebezigd (Mak 1971). Het woord balen werd vervolgens geherinterpreteerd als werkwoord, zodat samenstellingen als baaldag nu als eerste element de werkwoordstam hebben.
Het begrip balen schijnt zijn oorsprong te hebben in het leger, en dan met name het Nederlands-Indische leger van voor 1950.
baaldag zn. ‘dag dat men nergens zin in heeft, treurige dag’. Nnl. baaldag ‘snipperdag voor wie gewoon geen zin heeft om te werken’ [1977; Nierop 1979]. Ook in de jaren 1980 is deze betekenis nog wel in gebruik; de baaldag krijgt in sommige bedrijven zelfs een reglementaire status. In de jaren 1990 veralgemeent de betekenis tot ‘dag waarop men baalt’.
Lit.: J. Mak (1970) ‘Balen’, in: NTg 63, 339; J. Mak (1971) ‘Nogmaals balen’, in: NTg 64, 47; M. van Nierop (1964) Woordjes sprokkelen, Antwerpen, 14-19

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

balen [walgen] {1979} van baal in uitdrukkingen als ik heb er balen tabak van.

P.H. Schröder (1980), Van Aalmoes tot Zwijntjesjager, Baarn

balen

Ergens van balen is een hoogst moderne zegswijze voor: ergens schoon genoeg van hebben, ergens z’n bekomst van hebben. Voor de verklaring moet worden uitgegaan van de nog niet bevredigend verklaarde uitdrukking: ergens tabak van hebben die hetzelfde betekent. Ter versterking daarvan ging men zeggen: ergens balen tabak van hebben. Een baal, uit Frans balie, is een dichtgenaaid pak van de een of andere handelswaar en de zegswijze drukt dus uit dat men van iets bepaalds volstrekt niets meer wil weten. De tabak was in de uitdrukking onbelangrijk en werd dus weggelaten. Men zei: ergens balen van hebben. En toen is van het meervoud balen een werkwoord balen gemaakt dat gewoon vervoegd wordt: ik baal ervan, we baalden er allemaal van, enz.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

balen walgen 1970 [Recht voor raap]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut