Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

baldadig - (uitgelaten, ondeugend)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

baldadig bn. ‘uitgelaten, ondeugend’
Mnl. alleen als zn.: baeldadichede (mv.) ‘boosheden, slechte dingen’ [1350; MNW]; vnnl. baldaedigh “boos” (= ‘slecht, kwaadwillig’) [1599; Kil.], baldadige straatjongens ‘uitgelaten ondeugende straatjongens’ [1732; WNT].
Afleiding met het achtervoegsel → -ig van een niet geattesteerde samenstelling *baldaad, gevormd uit → daad en een eerste lid bal ‘slecht’, dat verder nog voorkomt in → balorig, → balsturig, en wrsch. ook in → ballast.
Andere Germaanse talen hebben wel een zn. dat met *baldaad zou corresponderen: os. balodād ‘schade’; ohd. balotāt ‘slechte daad’; oe. bealodǣd ‘id.’. Het eerste lid in deze woorden is ontwikkeld uit pgm. *balwa- ‘slecht’, en komt ook nog voor in got. balwa-wēsei ‘slechtheid’.
Pgm. *balwa- sluit misschien aan bij Oudkerkslavisch *bolŭ ‘zieke’, bolěti ‘ziek zijn, pijn hebben’; Cornisch bal ‘ziekte’; Middelbretons baluent, maar verwantschap is onzeker door het verschil in betekenis.

EWN: baldadig bn. 'uitgelaten, ondeugend'; het gebruik als bn. (1599)
ANTEDATERING: een baldadich duegheniet [1561; De Dene 3, 116]
[J. Luif (2010-2018), 'Oudere dateringen van woorden uit het EWN', in: Trefwoord (bewerkt)]

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

baldadig* [misdadig] {ba(e)ldadich [slecht, boos] 1350} afgeleid van een woord oudsaksisch balodād, oudhoogduits balotāt, oudengels bealodæd, van daad + oudsaksisch, oudhoogduits balo [verderf], oudengels bealu, oudnoors bǫl [rampspoed], vgl. gotisch balwawesei [slechtheid]. Hetzelfde woord vinden we in balorig, balsturig.

P.H. Schröder (1980), Van Aalmoes tot Zwijntjesjager, Baarn

baldadig

Er zijn in het Nederlands drie woorden die duidelijk bij elkaar horen: baldadig, balorig en balsturig. In alle drie betekent bal: slecht. Een baldadige jongen verricht dus slechte daden, in het bijzonder straatschenderijen. Balorig luidde vroeger: balhorig, doof. Nu verstaan wij er onder: iemand die niet horen wil, die tegen de keer in is, uit z’n humeur. Balsturig is nu ook wel duidelijk. Men zei het voorheen van schepen; in het Westfries wordt het gebruikt van moeilijk te regeren paarden. En in die zin van wederspannig bezigen wij het ook van mensen.

Wie aan dit drietal het woord ballast zou toevoegen, zou een fout maken. Ballast komt van bar-last: bare, blote last, waardeloze last. Het woord bar komt in deze betekenis ook voor in: barrevoets, blootsvoets.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

baldadig bnw., mnl. baldadich, baeldadich, afgeleid van een niet overgeleverd mnl. *baeldaet, vgl. os. balodād, ohd. balotāt, oe. bealodæd, waarvan het 1ste lid is os. balu o. ‘verderf, kwaad’, ohd. balo m. ‘slechtheid, verderf’, oe. bealu o. ‘slechtheid, rampspoed’, on. bǫl o. ‘rampspoed’, vgl. got. balwawēsei ‘slechtheid’. — osl. bolŭ ‘ziek’, (IEW 125).

Voor de wortel *bheleu- geeft IEW op ‘slaan, door slaan krachteloos maken’, wat vrij onzeker is (zie: blouwen). Voor het germ. mag men uitgaan van ‘kwelling’, dat dan onder chr. invloed de betekenis van ‘slechtheid, zonde’ aannam (Weisweiler, IF 41, 1923, 70 vlgg.); zie verder nog: balorig, balsturig. — De reeds in de 16de eeuw opgekomen spelling balddadig berust op geleerde verbinding met het onder boud besproken woord.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

baldadig bnw., mnl. ba(e)ldâdich. Balddadig is niet anders dan een verkeerde spelling, reeds in de 16e eeuw uitgedacht door etymologen, die het woord met het bij boud besproken adjectief combineerden. Baldadig is gevormd van mnl. *baeldaet, ohd. balotât, os. balodâd, ags. bealodæ̂d v. “booze daad”. Voor ʼt tweede lid vgl. daad, het eerste = ohd. balo o. “slechtheid, verderf”, os. balu o. “verderf, kwaad”, (ofri. balumon, balemunda m. “ontrouwe voogd”), ags. bealu o. “slechtheid, rampspoed” (eng. bale), on. bo̜l o. “rampspoed”, (got. balwa-wesei v. “slechtheid”). Het ww. mnl. baellewen “vlassen op” = got. balwjan “kwellen”, mnd. vorbalwen “bederven”. Wsch. verwant met obg. bolĭ “een zieke”, bolĭnŭ “ziek”, bolěti “ziek zijn”. Minder wsch. is de combinatie met lat. fallo “ik bedrieg, fop”, gr. phēlós “bedriegelijk”.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

baldadig. I.pl.v. ohd. balo o. lees: ohd. balo m. (o.).
De oudste bet. van dit germ. znw. *ᵬalwa- was misschien ‘plaag, kwelling’, vgl. got. balwjan = gr. basanízein ‘met pijniging ondervragen, folteren’. De ethische betekenis ‘slechtheid, zonde’ zal dan onder invloed van het Christendom zijn opgekomen. Vgl. Weisweiler IF. 41, 70 vlgg.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

balddadig bijv., hetz. als baldadig, in een kunstmatige spelling door bijgedachte aan *bald = boud.

baldadig bijv., met vocaalverkorting vóór den klemtoon, Mnl. baeldadich, afgel. van subst. *baaldaad, Os. balodâd + Ohd. balotât, Ags. bealodæ'd. Hierin adj. baal dat slechts in samenst. of zelfst. gebr. voorkomt: Os. balu, Ohd. balo, Ags. bealu (Eng. bale), Ofri. balu-, On. bǫl, Go. balwa- = kwaad, slechtheid, wellicht uit *bi-alwaz + Gr. oũlos = verderfelijk (Idg. *olu̯os).

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

baldadig b.nw.
Uitgelate, spelerig, moedswillig.
Uit Ndl. baldadig (Mnl. ba(e)ldadich 'sleg, boos') in die verouderde bet. 'misdadig'; die huidige bet. is 'wild, uitgelate'. Ndl. baldadig is 'n afleiding met -ig van Mnl. baeldaet 'bose daad'.
Vgl. balhorig.

J. van Donselaar (1989), Woordenboek van het Surinaams-Nederlands, Muiderberg

balda’dig bn., bw., erg, vreselijk, verschrikkelijk. Ik moet direkt toegeven dat ik in Nederland aardig verdien maar de belastingen ondermijnen m’n salaris op baldadige wijze (BN 120:42; 1980).

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

baldadig: spelerig, uitgelate; wild, woes; Ndl. baldadig (16e-eeuse etim. het ten onregte verb. m. bald (v. boud II) aanvaar en balddadig geskryf, maar Mnl. het reeds ba(e)ldadich as afl. v. baeldaet, by Kil bal-daed, “malefactum, maleficium”), Oeng. bealodaed, “bose daad” (vgl. Eng. bale), Os. balu, “kwaad, verderf”, Got. balwjan, “kwel”; hoofs. Germ. maar misk. verb. m. Gr. basanizein, “folter” en/of m. oulos, “verderflik”.

Thematische woordenboeken

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Baldadig is afgeleid van een woord, dat in het Os. balu-dâd luidde. Dit balu bet. slecht, boos, bedorven; bijv. balusprake: booze taal. Men brengt het in verband met de Idg. stam: bholwo = ziek zijn.

Balddadig is feitelijk ’t zelfde woord als ’t voorgaande, maar men hield het eerste lid voor bald, boud. Dit bald komt afzonderlijk in onze taal niet voor, wel in ’t Duitsch, en bet. koen, stoutmoedig, dapper, snel (thans in de laatste bet. in ’t Hgd.). Het Oudnoorsche baldr bet. vorst (voor wien dapperheid een eerste vereischte is, dus de dappere bij uitstek), vandaar de godennaam Balder. Ook in Boudewijn (Baldewin) komt het woord nog voor: de moedige vriend.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

baldadig ‘roekeloos, uitgelaten’ -> Fries baldadich ‘brooddronken, straatschenderij plegend’; Papiaments baldadi (ouder: baldade) ‘roekeloos, uitgelaten, stout’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

baldadig* roekeloos, uitgelaten 1732 [WNT]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut