Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

balans - (weegschaal, evenwicht)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

balans zn. ‘weegschaal, evenwicht’
Mnl. balanse ‘waag’ [1294; CG I, 2010]; vnnl. balancie [1573; Thes.], balance [1599; Kil.]; nnl. balans ‘evenwicht’ [1802-06; WNT].
Ontleend aan Oudfrans balance [eind 12e eeuw] < Provençaals balansa < middeleeuws Latijn balança, balancea < vulgair Latijn *bilancia < Latijn bilanx ‘weegschaal met twee schalen’ [4e eeuw] uit bi- ‘twee’ en lanx ‘schaal’. Via volksetymologie zou de klank van Laatlatijn ballare ‘dansen’ (zie → bal 2) van invloed geweest kunnen zijn op de wisseling -i- > -a-.
De betekenis ‘weegschaal’ wordt tegenwoordig in het noordelijke taalgebied slechts gehanteerd voor wetenschappelijk gebruik. De betekenis ‘evenwicht’ daarentegen wint in vele aspecten aan betekenis, zoals bijv. ‘machtsevenwicht’ in de staatkunde. Verder is het als handelsterm een algemeen begrip voor de staat van bezit en schuld met ‘kapitaal’ als sluitpost. In deze betekenis komt het sinds 1543 in het Nederlands voor en staat het onder Italiaanse invloed.
balanceren ww. ‘in evenwicht houden’. Vnnl. balanceren ‘balans opmaken’ [1698; WNT], ‘zich in evenwicht houden’ [1898; WNT]. Ontleend aan Frans balancer ‘heen en weer bewegen; balans opmaken, afwegen’. De moderne betekenis is wrsch. opnieuw aan het Frans ontleend.
Lit.: De Bruijn-van der Helm 1992

EWN: balans zn. 'weegschaal, evenwicht'; de betekenis 'weegschaal' (1573)
ANTEDATERING: die balansche 'de weegschaal' [1390-1410; iMNW]
Later: in balans 'in evenwicht' [1618; De Koning, E4r] (EWN: 1802-06)
{De betekenis van balanse in de eerste attestatie in het EWN is niet 'waag', maar 'zeker werktuig' (een onbekend hulpmiddel bij het maken van touw of kabels) (VMNW).}
EWN: ♦ balanceren ww. 'in evenwicht houden' (1698)
ANTEDATERING: eerst balancen 'heen en weer bewegen' in: Hoe ment balance 'hoe men het ook schikt' [ca. 1530; iWNT contenance]
Later: den Voorsz Staat teegens den uitgeef gebalanceert zynde (spelling niet zeker) 'wanneer het genoemde overzicht (van het inkomen) is afgewogen tegen de uitgaven' [1585; Register, 706]; malcanderen ... balanceren 'elkaar in evenwicht houden' [1608; Van Meteren 28: 165a] (EWN: 1898)
[J. Luif (2010-2018), 'Oudere dateringen van woorden uit het EWN', in: Trefwoord (bewerkt)]

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

balans [weegschaal, evenwicht] {balance [weegschaal] 1294; de betekenis ‘evenwicht’ 1806} < frans balance [idem] (waarnaast als economische term bilan) < latijn bilanx (2e nv. bilancis) [weegschaal], van bi- [twee] + lanx [schaal].

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

balans znw. v., ‘weegschaal-evenwicht’ < vulg. lat. *bilancia, gevormd van lat. bilanx ‘weegschaal’ (uit ital. bilancio is nhd. bilanz afgeleid). Later in de dubbele boekhouding voor het evenwicht van debet- en creditzijde gebruikt.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Debrabandere (2010), Brabants etymologisch woordenboek: de herkomst van de woordenschat van Antwerpen, Brussel, Noord-Brabant en Vlaams-Brabant, Zwolle

barlans(j), borlansj, brans, zn.: schommel. Met ingevoegde r uit Fr. balance ‘weegschaal, balans’, vandaar ook balancer ‘schommelen’. Fr. balançoire ‘schommel’.

A.A. Weijnen (2003), Etymologisch dialectwoordenboek, Den Haag

barlansj schommel (West-Vlaanderen, bij de taalgrens). « een romaanse ontwikkeling van lat. bilancia ‘dubbele weegschaal’; vgl. fra. balançoire ‘schommel’ en fra. dial. berlancer ‘schommelen’.
HCTD XXXIX 164, REW 96.

Thematische woordenboeken

Nicoline van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

balans (Frans balance)

P.H. van Laer (1949), Vreemde woorden in de natuurkunde, Groningen/Batavia.

Balans (= Fr. balance; Lat. bílanx, gen. -áncis = lett. dubbele weegschaal; < → bi-, + lanx, gen. láncis = schaal, weegschaal; of Gr. βαλάντιον (balántion) = geldbuidel, goudzak; toestel voor het wegen van goud). Twee-armige weegschaal.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

balans ‘weegschaal; evenwicht; rekeningoverzicht’ -> Indonesisch balans ‘weegschaal; evenwicht; rekeningoverzicht’; Menadonees balans ‘evenwicht’; Singalees balansa(ya) ‘weegschaal’ (uit Nederlands of Portugees); Surinaams-Javaans balans ‘evenwicht’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

balans weegschaal 1294 [CG I3, 2010] <Frans

balans evenwicht 1806 [WNT] <Frans

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal