Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

bakkruid - (kruid bij het bakken)

Etymologische (standaard)werken

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

bakkruid o., + Mndd. backenkrut, waarvan de bet. niet bepaald is; het eerste lid behoort bij bakken, dus = kruid gebezigd bij het bakken of het gereed maken van eten.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Debrabandere (2007), Zeeuws etymologisch woordenboek: de herkomst van de Zeeuwse woorden, Amsterdam

bakkruud zn. o.: (verzamelnaam voor) sleutelbloemen, Primula acaulis. De naam is te verklaren door het gebruik ervan als smaakstof in gebak. Dodoens schreef: ‘In vele landen worden de sleutelbloemen met meer andere moescruyden ghebruyckt in warmmoes, taertkens ende eyerkoeken om den goeden smaeck’. Vgl. eierbloem (Essen), bakbloem (OV), bakkruid (Vilvoorde), bakkerinnetjes (Poperinge), bakkertjes (WV), pannekoekjes (Ndl.).

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut