Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

bakkes - (gezicht, mond)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

bakkes zn. ‘gezicht, mond’
Vnnl. backhuus “kinnebacken” [1546; Naembouck], bakhuis, backuys [1549; Kloeke 1962], backhuys ‘kaak, mond’ [1599; Kil.], backhuysen ‘gezichten’ [ca. 1600; WNT], backes [1617; Toll.], bakhuys ‘gezicht’ [1623; WNT].
Bakkes is verkort uit vnnl. bakhuis ‘gezicht, kinnebak’ met verdoffing van het tweede lid. Het eerste lid is mnl. backe ‘wang, kaak’ [1450-1500; MNW ronken], al Oudnederlands in de samenstelling → kinnebak. Het tweede lid is → huis in de betekenis ‘omhulsel, kap’, zoals dat ook voorkomt in bijv.klokhuis, kompashuis en zaadhuisje. Volgens FvW is bakhuis een schertsende samenstelling, maar gezien het bestaan van veel andere samenstellingen met huis hoeft dat niet het geval te zijn. Het WNT denkt dat bakhuis secundair is en dat er sprake is van een afleiding van backe ‘kaak’; dit is gezien de late attestatie van backes onwaarschijnlijk; bovendien blijft de -s onverklaard.
Alleen in het Duits: ohd. backo ‘kinnebak’ (nhd. Backe ‘wang’).
Als backe met Grieks phagónes ‘kinnebak’ verwant is, zou de bijbehorende wortel eventueel pie. *bhagn- kunnen zijn, maar de herkomst van het Griekse woord zelf is onduidelijk. In het Latijn verschijnt bucca ‘volle wang’, dat er sterk op lijkt. Gezien de geringe verspreiding, gezien het betekenisveld ‘lichaamsdeel’, de ablaut a/u en het geminaat in het Latijn, kan er sprake zijn van een substraatwoord. Bij backe ook het aan het Duits ontleende → bakkebaard, → baktand, → kinnebak en mombakkes, zie → mom; waarschijnlijk zijn ook → bak 3 en → bakboord verwant.
Het woord is tegenwoordig informeel, maar kon in het Vroegnieuwnederlands en nog wel later ook in literaire stijl gebruikt worden. Het had oorspr. geen ongunstige bijbetekenis, zoals bijv. blijkt uit citaten van Huygens: En Vrouwtje ... moy van Backes ‘een vrouwtje met een mooi gezicht’ [1623; WNT fleur I] en van Betje Wolff: Een zedig Kuifmutsje ..., daar het bakkesje van een Heiligje uitkeek [1782; WNT].

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

bakkes* [gezicht] {backuys [aangezicht] 1549} van middelnederlands backe [kinnebak, wang] (bactant [kies]), vgl. hoogduits Backe [wang] + huus [huis, kap, deksel], vgl. moderne samenstellingen als kompashuis, camerahuis.

P.H. Schröder (1980), Van Aalmoes tot Zwijntjesjager, Baarn

bakkes

Bakkes is een van de vele benamingen van: gezicht. Het woord is al heel oud en werd vroeger ook: bakkis en bakkus geschreven. Het is ontstaan uit bakhuis. In het Westfries kent men nog de naam backes voor: huisje op een boerenerf waarin een daglonersgezin woont, eigenlijk: huisje waarin men bakt. Het woord waarover hier gesproken wordt, is een schertsende samenstelling, die onder invloed van het zoëven genoemde bakhuis is ontstaan. Het woord bak kennen wij nog in: kinnebak en in Duits: Backe, dat wang betekent. Het is verwant met een Griekse werkwoordsvorm (e)fagon: ik at. Wij kennen ook, mombakkes voor: nagemaakt gezicht waarmee men zich vermomt.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

bakkes znw. o., naast de vorm backhuys (sedert de 16de eeuw). Het 1ste lid is hetzelfde woord als bak in mnl. bactant m. ‘kies’ en in kinnebak. Het woord bak betekent dus hier ‘kaak’.

bakkes [Aanvullingen De Tollenaere 1969]: zie Ts 85, 228 [1969]. Mnl. bactant is nog altijd modern dial. Nederlands; zie J. L. Pauwels, HTopDial. 5, 283-297 [1931].

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

bakkes znw. o., de vorm bac(k)huys sedert de 16e eeuw. Deze vorm kwam in het Oudnnl. veel voor, ook bakkis, bakkus. Wsch. is backhuys de oudste vorm, waaruit bakkes ontstond evenals westf. backes o. “klein huisje op een boerenerf, dikwijls aan een dagloonersgezin verhuurd” uit mnd. backhûs o. “huisje waarin men bakt”. Backhuys is een schertsende samenst. van het mnl. znw. bac(ke), dat in bactant m. “kies” en kin(ne)backe (-bac) v. o., nnl. kinnebak voorkomt, en huis, mnl. huus o.; bij het ontstaan werkte het bestaan van een ouder mnl. bac-huus o. “bakkerij” mee, dat dial. nog voorkomt (o.a. in de Kempen = “apart huisje, waarin men bakt”: vgl. westf. backes). Mnl. kinnebacke is een zeer oude samenstelling van kin en germ. *ƀakkan-, *ƀakan-: vgl. onfr. kinnebaco, ohd. (chinni)bahho (naast bahho ook backo, waaruit nhd. backe v., backen m.), os. kinnibako, ofri. szinbaca, kynbac(ke) m. “kinnebak”. De dubbelvormen met k en kk verklaren zich uit een ablautend paradigma idg. *bhagon-, *bhagn-. Het woord is identisch met gr. phagṓn eig. “eter”, dan “kinnebak” (phagónes: siagónes, gnáthoi Hes.) bij gr. éphagon “ik at”. Men combineert dit laatste wel met obg. bogatŭ “rijk”, nebogŭ, ubogŭ “arm”, oi. bhájati “hij deelt toe”, bhága- “bezit, geluk”, maar de speciale bet. “eten”, waarop het gr. en germ. woord wijzen, maakt die etymologie minder waarschijnlijk. Veeleer moeten wij van bhā̆ĝ- uitgaan en russ. (verouderd) bazló “keel” vergelijken. Zie ook tand.

[Aanvullingen en Verbeteringen] bakkes. Bac(k)huys “bakkes” is ook voor een overdr. bachuys “huisje waarin men bakt” gehouden: mogelijk, maar dan is toch mede invloed van bac(ke) aan te nemen.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

bakkes. Zie nog v. Wijk Aanv. Over de verklaring der dubbelvormen met k en kk van het eerste lid der samenst. zie de opmerkingen gemaakt bij bakken Suppl., 1e alinea.
Degenen die gr. phagónes in een ander verband plaatsen, brengen gewoonlijk mnl. bac(ke) enz. bij de onder achterbaks besproken familie, waarbij dan de verschillende woorden onder een grondbet. ‘buigen, welven’ worden verenigd. Zo b.v. WP. II, 148. Gaat men voor het germ. woord uit van een bet. ‘wang’, dan verdient deze combinatie overweging; de in het art. aanvaarde etymologie eist bepaaldelijk ‘kaak’ als oudste bet. Welke van de twee de voorkeur verdient, is niet uit te maken.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

bakkes o., verdoffing van bakhuis (z.d.w.). Voor sommigen echter uit bakkens, meerv. van bakken, waarover bij bakkebaard en kinnebak; in dit geval ware bakhuis = mond, er een schertsende volksetym. vervorming van.

bakhuis o., = 1 ovenhuis, 2 (overdr.) mond; cf. Fr. ferme ton four hou je bakhuis. Dus in de twee bet. hetz. woord, nl. een samenst. met den stam van bakken; voor sommigen echter is het in de bet. mond een ander woord, nl. een samenst. met bak(ken) = wang (dus zooveel als wangenhuis), waarover bij bakkebaard en kinnebak; z. ook bakkes.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Aarts (2017), Etymologisch Dictionairke vaan ’t Mestreechs, Maastricht

bakkes (zn.) gezicht, mond; Nuinederlands backhuus <1546>.

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

bakkies s.nw. (geselstaal)
Gesig.
Uit Ndl., gewestelik in Holland in die vorm bakkes (1617) naas backhuys (Mnl. bachuus 'wang'), mntl. 'n afleiding met -s van bakke 'wang'.
Vgl. bakkebaard, mombakkies.

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

bakkies: “gesig”; Ndl. bakkes (sedert 16e eeu in vorm bac(k)huys); eerste lid hou verb. m. bak, “kaak, wang” (soos o.a. nog in bak(ke)baard, baktand, kinnebak), volkset. opgevat as ww. bak en skertsend verbind met huis (Mol. huus), dus as bakhuis (mond waarin brood gesteek word vgl. met huisie waarin gebak word), hoewel nog meningsverskille oor verloop v. sem. ontw.; oorg. v. sw. bekl. ausl. e tot ie in Afr. gew. (soos in baie wd. op -asie en in dimv.).

Thematische woordenboeken

C.H.Ph. Meijer (1919), Woorden en uitdrukkingen verklaard door Dr. C. H. Ph. Meijer, Amsterdam

Bakkes, ook bakhuis, in België alleen het laatste; = gezicht. Het eerste gedeelte is dezelfde stam, die in kinnebak, baktand voorkomt en kaak beteekent. Verondersteld wordt, dat het ontstaan is uit een meerv. bakkens, dat tot bakkes werd en dat later (reeds Kil. heeft alleen bakhuys) schijnbaar hersteld zal zijn tot dien gewaanden juisten vorm bakhuis.

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Bak in bakkebaard, bakhuis bet. wang; vermoedelijk verwant met het Idg. bagh = eten. Bakhuis (platter: bakkes) is een volksetymologie uit bakkens (meerv. van bakke of bakken = wang) en heeft dus met huis niets te maken.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

bakkes* gezicht 1546 [Naembouck]

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

1539. Een grooten mond opzetten (of opendoen),

d.w.z. brutaal, ongepast zijn; eig. den mond wijd openzetten om te schreeuwen; fr. engueuler qqn, attaquer qqn par des injures grossières; een groote smoel opzetten (Slop, 42); een keel opzetten (De Brune, Bank. I, 342 en no. 1114); een bakkes openzetten (C. Wildsch. IV, 389); vgl. Tuinman I, 229: Hij zet een mond op als een oven; en bl. 197: Zy doen een mond op als een hooischuur (zie Coster, 529); Goeree en Overflakkee: een smoel als een mendeur; het fri. hja het in bek as in opskoerde toffel, as in brivebos, as de sé; in de 17de eeuw den mont opendoen oftmer een broeck in sou spoelen (zie Ndl. Wdb. III, 1471); in Twente: nen bek opzetten as ne oenderdeure; in Brab. een schuurpoort openzetten; bij Tuerlinckx, 602: een strot openzetten; bij Harreb. I, 45: zij heeft een bek als een schuurdeur; een pij (hebr. peh, mond) opzetten (Twee W.B. 126).

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut