Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

bakker - (iemand die beroepsmatig brood e.d. bakt)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

bakken 1 ww. ‘door verhitting bereiden of gereedmaken’
Mnl. backen (zwak werkwoord) [1285; CG II, Rijmb.], baken (sterk werkwoord) ‘bakken, braden’ [1287; CG II, Nat.Bl.D].
Bij de zwakke Proto-Germaanse wortel: os. bakkan; ohd. backan (voornamelijk sterke vervoeging) (nhd. backen (sterk/onregelmatig)); nfri. bakke; < pgm. *bakk-, wrsch. een intensiefvorming van *bak- ‘bakken’.
Bij de sterke Proto-Germaanse wortel: ohd. bahhan [9e eeuw] (mhd. bachen) (ook zwakke vervoeging); oe. bacan (ne. bake (zwak)); on. baka (zwak) (nzw. baka (zwak)); < pgm. *bak-. Afleidingen van dezelfde Proto-Germaanse wortel *bak- zijn de frequentatieven mnl. bakeren (zie → baker), nnl. dial. bakelen en misschien Drents baggelen ‘stoven, bakeren’.
Verwant met Grieks phógein ‘roosteren, braden’; bij de wortel pie. *bheh3g- (IEW 113).
Het oorspr. sterke werkwoord baken en het zwakke werkwoord backen zijn in elkaar overgelopen tot bakken. In het Middelnederlands was de verledentijdsvorm boec, biec, maar ook zwak: bacte.
bakker zn. ‘persoon die (brood) bakt’. Mnl. in de eigennaam Moninus Backere [1280; Debrabandere 1993]. Afleiding van bakken 1.

EWN: ♦ bakker zn. 'persoon die (brood) bakt' (1280)
ANTEDATERING: beckere 'bakker' [1240; VMNW]
Later: Mychil de Baccre [1266; Debrabandere 2003] (EWN: 1280)
[J. Luif (2010-2018), 'Oudere dateringen van woorden uit het EWN', in: Trefwoord (bewerkt)]

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

J. van Donselaar (1989), Woordenboek van het Surinaams-Nederlands, Muiderberg

bak’ker (de, -s), (veroud.) onbekende soort aap. Zie Herlein 1718: 172 (enige vindpl.).

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

bakker ‘iemand die beroepsmatig brood e.d. bakt’ -> Creools-Portugees (Ceylon) baquer ‘iemand die beroepsmatig brood e.d. bakt’; Singalees bakkara, bakkarē ‘iemand die beroepsmatig brood e.d. bakt’; Sranantongo bakri ‘iemand die beroepsmatig brood e.d. bakt’; Sarnami bákrimán ‘iemand die beroepsmatig brood e.d. bakt’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

bakker* iemand die beroepsmatig brood e.d. bakt 1477 [Teuth.]

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

2691. (Aanv.) Voor den bakker zijn,

in orde, goed zijn; vgl. Opr. Haarl. Cour. 19 Mei 1924, p. 10 k. 1: Me poot (waarmee hij eerst strompelde) is weer voor de bakker. Nog al wiedes, anders sou ik toch ook nie na see kanne gaan.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut