Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

bakboord - (linkerzijde van een schip)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

bakboord zn. ‘linkerzijde van een schip’
Vnnl. back boord [1599; Kil.], maar wrsch. veel ouder, gezien de dateringen in het Middelnederduits en het Oudengels.
Samenstelling van mnl. baec ‘rug’ (zie → bak 3) en → boord 2. Bij boten en schepen met een puntige achtersteven werd het roer traditioneel rechts gemonteerd (aan het → stuurboord). De stuurman stond dus met zijn rug naar het linkerboord.
Mnd. ba(c)kbort [15e eeuw] (> nhd. Backbord [1600-50]); nfri. bakboard; oe. bæcbord [al ca. 885]; on. bakborði.
Het woord is ook in de Romaanse talen terechtgekomen: Frans babort [1484; Rey], bâbord [1762; Rey]; Italiaans babordo. Van daaruit kwam het opnieuw in het Engels, nu als ontlening: baburd, bawburd, nu verouderd. Opvallend is dat de Franse etymologische woordenboeken zeggen dat het woord aan het Nederlands ontleend is, terwijl de eerste attestatie in het Frans veel ouder is dan die in het Nederlands.

EWN: bakboord zn. 'linkerzijde van een schip' (1599)
ANTEDATERING: aen Backboort [1566; iWNT stuurboord]
[J. Luif (2010-2018), 'Oudere dateringen van woorden uit het EWN', in: Trefwoord (bewerkt)]

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

bakboord* [linkerzijde] {back boord 1599} van middelnederlands bac [rug] (vgl. achterbaks) + boordstuurboord.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

bakboord znw. o., sedert Kiliaen bekend, vgl. mnd. backbord, oe. bæcbord, on. bakborði. Het woord betekent de linkerzijde van het schip, waaraan de stuurman de rug toekeert, daar het roer vroeger zijdelings tegen de rechterzijde bevestigd was. Voor het woord bak ‘rug’ vgl. mnl. bac, os. mnd. bac, ohd. bah, ofri. bek, oe. bæc, waartoe ook behoren mnl. bake ‘zijde spek’, mnd. bake, ohd. bahho en daarnaast nog ohd. backo, bacho ‘kaak, wang’ (zie: bakkes en kinnebak). — > fra. bâbord (sedert de 16de eeuw), ital. babord, spa. babor, port. babordo, bombordo (Valkhoff, Album Verdeyen 331).

De betekenissen ‘rug’ en ‘wang’ doen vermoeden, dat men zal moeten uitgaan van een grondbet. ‘gewelfd vlak’ en dan zijn nog te vergelijken on. bakki ‘heuvel, rivieroever’, dat men verbinden kan met oi. bhañj ‘buigen, breken’, bhanga ‘breuk, vouw’, lit. bangā ‘golf’, oiers bongim ‘breken’ (vgl. Wood MLN 15, 1900, 95). Dat kan ook gelden voor de woorden bakkes, kinnebak, indien men van een bet. ‘wang’ uitgaat; voor een andere verklaring zie aldaar.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

bakboord znw. onz., sedert Kil. Een langs de heele germaansche kust gebruikelijk woord: mnd. (waaruit hd.) backbord o., ags. bæcbord o., on. bakborði m., de. bagbord, zw. babord. Uit het Ndl. fr. bâbord “bakboord”, it. babordo. Voor ʼt eerste lid zie achterbaks, voor ʼt tweede, zie boord. De ospr. bet. is “rugboord”, d. i. “de zijde van ʼt schip, waar de stuurman met zijn rug naar toe staat”. Het stuur werd nml. op oud-germ. schepen rechts aangebracht. Vandaar heet de rechterzijde ndl. stuurboord o., mnd. stûrbort, waarnaar hd. steuerbord o., de. zw. styrbord gevormd zijn (het On. heeft stjôrnborði m.), ags. stêorbord o. (eng. starboard); fr. tribord, it. tribordo uit het Germ.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

bakboord o., van waar Fr. bâbord en Hgd. backbord = linkerzijde van het vaartuig (z. stuurboord), samengest. met bak 2, omdat de stuurman die aan het roer staat, aan de linkerzijde van ’t schip den rug toekeert. Dit bak vindt men in Os. bak, Ohd. bah, Ags. bæc (Eng. back), Ofri. bek, On. bak (Zw. bak, De. bag): oorspr. onbek. Van denz. stam Mnl. bake = zijde spek, varken + Ohd. bacho (Mhd. bache) = spekzijde, spek, zeug; ook Nhd. arsch-backen = bil. Uit Ndl. Ofra. bacon waaruit Eng. bacon = spek.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

bakboord s.nw.
Linkerkant van 'n vaartuig of vliegtuig as jy vorentoe kyk.
Uit Ndl. bakboord (1598), 'n samestelling van Mnl. bac 'rug', wsk. na aanleiding daarvan dat die stuurman mntl. met sy rug na die linkerkant van die vaartuig gestaan het, en Ndl. boord 'skeepsreling, skeepswand'. Die teorie dat Ndl. bak 'voorkasteel op 'n skip' die eerste lid van bakboord uitmaak, lyk onwaarskynlik.
D. Backbord (17de eeu), Eng. backboard, Fr. bâbord.

Thematische woordenboeken

C.H.Ph. Meijer (1919), Woorden en uitdrukkingen verklaard door Dr. C. H. Ph. Meijer, Amsterdam

Bakboord, het boord van een schip, dat men aan de linkerzijde heeft, als men met het gezicht naar den voorsteven staat. Hoewel de afleiding niet geheel zeker is, kan men toch als waarschijnlijk aannemen, dat het gevormd is van boord en bak = rug, eng. back, en in ons achterbaks(ch) (zie ald.) nog over. en beteekende den kant van het schip, dat de stuurman, die aan de rechterzijde (daarom stuurboord genoemd) stuurde, in den rug had. Stuurboord noemde men ook wel bijboord; vandaar de uitdrukking van bikboord naar bakboord zenden, loopen, ook van bibo naar babo, waarin bikboord wel door de gewone zucht naar klankgelijkheid zal ontstaan zijn uit bijboord (vroeger als bieboord uitgesproken); zoo kreeg men meteen de geliefde opvolging i-a, die in zoo tallooze uitdrukkingen gevonden wordt. In Loquela 10, 37 vlgg. vindt men voorbeelden, hoezeer om dat klankeffect te verkrijgen, de woorden nu nog veranderd voorkomen, en van de reeksen i-a (in 3 woorden ook nog oe of o erbij) vindt men voorbeelden in De Jager, Verscheidenh. 127 vlgg.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

bakboord ‘linkerzijde van een schip’ -> Schots † babord, baburd ‘linkerzijde van een schip’ ; Duits Backbord ‘linkerzijde van een schip’ (uit Nederlands of Nederduits); Deens bagbord ‘linkerzijde van een schip’ (uit Nederlands of Nederduits); Noors babord ‘linkerzijde van een schip’; Zweeds babord ‘linkerzijde van een schip’; Fins baaburi, paapuuri ‘linkerzijde van een schip’ ; Ests pakpoord ‘linkerzijde van een schip’ (uit Nederlands of Nederduits); Frans bâbord ‘linkerzijde van een schip’; Italiaans babordo ‘linkerzijde van een schip’ ; Spaans babor ‘linkerzijde van een schip’ ; Portugees bombordo ‘linkerzijde van een schip’ ; Roemeens babord ‘linkerzijde van een schip’ ; Baskisch ababor ‘linkerzijde van een schip’ ; Pools bakburta ‘linkerzijde van een schip’; Macedonisch bakbord ‘linkerzijde van een schip’; Russisch bakbórt ‘linkerzijde van een schip’; Bulgaars bakbort ‘linkerzijde van een schip’ ; Lets bakborts ‘linkerzijde van een schip’; Litouws bakbortas ‘linkerzijde van een schip’; Esperanto babordo ‘linkerzijde van een schip’ ; Papiaments bakbort ‘linkerzijde van een schip’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

bakboord* linkerzijde 1599 [Kil.]

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

137. Iemand van bakboord naar stuurboord zenden.

Onder bakboordHet roer was vroeger niet aan den achtersteven, maar hing aan een leeren ring aan den rechterkant van het schip: de stuurman moest het met twee handen bewegen en stond dan met zijn rug (bak, eng. back) naar de linkerzijde, vandaar de naam bakboord; zie Taal en Letteren X, 524. verstaat men de linkerzijde van het schip, en onder stuurboord de rechter zijde. De uitdr. wil daarom zeggen: iemand van den eenen naar den anderen kant zenden, meermalen met het bijdenkbeeld, dat hij toch vergeefsche moeite doet. Andere synonieme uitdrukkingen hiervoor zijn: iem. van bikboord naar bakboord sturen; van babo naar bibo (bijboord?) gestuurd worden; ook van rechts naar links; van het kastje naar den muur; van puntje naar paaltje; van Pontius naar Pilatus; van Herodes naar Pilatus of van Annas naar Cajaphas (Jezus werd, volgens Joh. 18, 13 na zijn gevangenneming eerst naar den schoonvader van Cajaphas en vervolgens naar dezen geleid); Afrik. iemand van Bakpoort naar Stuurpoort stuur (Boshoff, 345). Zie Zeeman, 44; 284; Harrebomée III, 114; Ndl. Wdb. II, 877; Winschooten, 304: Iemand stuuren van stuurboord naar bakboord, dat is oneigendlijk, iemand houden voor 't lapje, iemand senden om een dagscheer; Halma, 624: Iemand van stuurboord tot bakboord stuuren, iemand dan hier, dan daar stuuren; Sewel, 769: Iemand van stuurboord tot bakboord stuuren, iemand om een dagscheer zenden, to send one on a sleeveless errand; Schuermans, Bijv. 109: van 't haantje naar 't hentje loopen. In het Zaansch zegt men iemand van den Bok op Jasper sturen (bok en jasper zijn twee molens; zie Boekenoogen, 86); fri. immen fen 't bok op 't ezel stjûre; fr. envoyer qqn de Caïphe (ou de Ponce) à Pilate; hd. einen von Pontius zu Pilatus schicken.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut