Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

bak - (kom, trog)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

bak 1 zn. ‘kom, trog, vat’
Mnl. bac, in de oudste vindplaats alleen in verbogen vorm backe ‘bak’ [1285; CG I, 1020].
Ontleend aan Oudfrans bac ‘bak, brouwkuip’ [12e eeuw] < vulgair Latijn *baccu(s) ‘vat, kuip’, dat op zijn beurt wrsch. een ontlening aan het Keltisch (Gallisch) is, hoewel het in die taalgroep niet geattesteerd is. Van dezelfde oorsprong zijn → bekken en (jonger, en via het Frans ontleend) → bassin; en misschien → beker.
Lit.: Y. Coutant (1994) Middeleeuwse molentermen in het graafschap Vlaanderen (= Werken van de Koninklijke Commissie voor Toponymie en Dialectologie 18) Tongeren/Luik 1994, 112

bak 4 zn. ‘gevangenis’
Nnl. bak [1865-70; Schuermans], nnl. In de bak of in ‘t gekkehuis of in ’t hospitaal, net zoo lang tot ze je na de verdommenis hebben geholpen [1906; WNT verdoemenis], vooral gebruikt in uitdrukkingen als in de bak zitten.
Het woord is identiek met → bak 1, dat al in de 17e eeuw ook als aanduiding voor een ruimte, in dit geval ‘middenruim in een schouwburg’ en ‘deel van een schip’, voorkwam [1685; WNT].

EWN: bak 1 zn. 'kom, trog, vat' (1285)
ANTEDATERING: onl. eerst als toenaam in Walteri Bac 'van Wouter Bak' [1196; ONW]
[J. Luif (2010-2018), 'Oudere dateringen van woorden uit het EWN', in: Trefwoord (bewerkt)]

EWN: bak 4 zn. 'gevangenis' (1865-70)
ANTEDATERING: in de bak 'in de (soldaten)gevangenis' [1851; NRC 28/5]
[J. Luif (2010-2018), 'Oudere dateringen van woorden uit het EWN', in: Trefwoord (bewerkt)]

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

bak1 [kom, trog] {bac 1285} < frans bac < middeleeuws latijn bac(c)hia, bacea, bacca [nap, kom], naast baccinus, baccinum [bekken].

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

bak 1 znw. m., mnl. bac (laat en zelden) ‘bak’, bij Kiliaen ook ‘boot’, vgl. mnd. bak ‘bak, trog’ < fra. bac ‘bak, brouwkuip, pont’ (Th. Frings, Germ. Rom. 1932, 144). — > ne. back ‘trog’ (sedert 1682, vgl. Bense 5); > fra. bac ‘veerboot’ (sedert de 12de eeuw) en bat ‘eindstuk’ (sedert de 16de eeuw bij Rabelais, vgl. Gamillscheg 65 en 88).

Men neemt aan, dat de noordfranse vormen (pikardisch tot waals) < nl. bak zouden zijn overgenomen, maar dat die van het Midden en Zuiden zouden gevormd zijn uit prov. bacon, dat op laat-lat. bacca ‘watervat’ zou teruggaan en dit waarsch. uit een gallisch woord (vgl. Meyer-Lübke 68).

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

bak znw., mnl. (laat, zeldzaam) bac (ck) m. “bak”, bij Kil. ook “boot”. Evenals mnd. bak o. “bak, trog” (waaruit de. bakke “bak, bord, schotel”, zw. backe “bak, schotel”), eng. back “kuip” uit fr. bac “bak, brouwkuip, pont”. Een oorspr. rom. woord, vgl. laat-lat. bacca “waterkom”, bacarium “id.”, bacar “wijnvat”, bacario “urceoli genus”. In verschillende bett. heeft het woord zich ook als scheepsterm over ʼt germ. taalgebied verbreid.

[Aanvullingen en Verbeteringen] bak. Een al ags. bęc “catinus” (> eng. back) wordt voor Corp. “in catamo. inbęce” aangenomen, welke glosse op Marcus 14, 20 betrekking zou hebben.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

bak. Het zw. woord luidt back (niet backe). Als scheepsterm kan het woord zich van Holland uit over het Ndd., De. Zw. hebben verbreid.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

bak 1 m. (kom, vaartuig), Mnl. bac, gelijk Ndd. bak (waaruit De. bakke, Zw. backe), Hgd. en Eng. back uit het Rom. : laat Lat. bacca, Fr. bac: z. bekken.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

bak b.nw. (geselstaal)
Baie goed, piekfyn.
Wsk. uit Ndl. bak (Mnl. bac) 'boot', met bygedagte aan 'groot' soos in bakbeest 'groot, lomp voorwerp'.

bakkie s.nw.
1. Klein bak. 2. Ligte voertuig met 'n bagasieruim, wat óf oop óf met 'n kap bedek is, en geskik is om 'n ligte vrag te vervoer. 3. Skuitjie wat o.a. gebruik word om vanaf 'n visserskuit na die land te roei.
In bet. 1 uit Ndl. bakje, bakkie 'koppie, kommetjie'. In bet. 2 wsk. uit Ndl. bakje, bakkie in die verouderde bet. 'huurrytuig'. Bet. 3 het in Afr. self ontwikkel.
Vanuit Afr. in S.A.Eng. (1893 in bet. 1, 1968 in bet. 2).

J. van Donselaar (1989), Woordenboek van het Surinaams-Nederlands, Muiderberg

II. bak (de), WC. Alleen in de combinatie: naar bak*.
— : naar bak, (scholierentaal) naar de WC. Op gegeven moment stak Walter zijn vinger op. ‘Mag ik naar bak, ik bedoel naar het toilet?’ Hij kon gaan (Rappa 1981: 69). - Etym.: Van S baka = o.m. achter. De WC is (of was althans vroeger) achter in de school. De uitdr. betekent dus geheel hetzelfde als AN ‘naar achteren’.

Thematische woordenboeken

E. Sanders (1997), Borrelwoordenboek: 750 volksnamen voor onze glazen boterham, Den Haag

bakje De borrelnaam bakje was in Noord en Zuid wijdverbreid en is dus in een groot aantal woordenboeken en dialectverzamelingen opgetekend. Het woord is in deze betekenis in 1839 voor het eerst gevonden. Al vanaf de 16de eeuw wordt bak in het Nederlands gebruikt voor ‘drinkbeker, kelk’. In Vlaanderen was het bovendien een ‘maat voor eenige natte waren’. Met een bakske werd daar 1/8 liter aangeduid. ‘Een bakske genever’, verduidelijkt een West-Vlaams dialectwoordenboek in 1873, ‘is een dubbele dreupel. Er gaan vier bakskens in eene pinte, en twee maatjes in een bakske’.
In 1881 werd bak in Gent als borrelnaam gesignaleerd, in 1908 sprak men in Oost-Vlaanderen van een bakske pakken, knippen of inslaan. Men zei ook iemand een baksken brengen voor ‘op iemands welzijn drinken’. Een zuiplap werd in Vlaanderen ook wel een bakbeest genoemd — een verslinder van vele bakjes. Onder Wageningse studenten is onlangs de borrelnaam wit bakkie gehoord.

[Bo 73; Collen 1979:6; Liev.-Coopm. 124, 127; Mullebrouck 335; Ntg 38:40; NZ 4:100; Stoett 1:55; Teirlinck 1908:94; WNT II1 871]

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

bak ‘kom, trog, komvormig iets’ -> Engels back ‘groot ondiep vloeistofvat’; Duits dialect Bak ‘houten vat, trog’; Oost-Jiddisch bak ‘tank, reservoir’ ; Deens bakke ‘dienblad; vislijn; groep matrozen die uit dezelfde schaal eet’ (uit Nederlands of Nederduits); Noors bakk ‘(maritiem) schaal (spijsbak) waar matrozen uit aten; halfdek boven voordek (waaronder matrozen aten); groep manschappen die samen eten’ (uit Nederlands of Nederduits); Zweeds backa ‘soort vislijn voor zeevissen’ (uit Nederlands of Nederduits); Zweeds back ‘stevige doos om zaken te transporteren; (dial.) waterreservoir; open krat voor transport of opslag’ (uit Nederlands of Nederduits); Fins pakki ‘veldkeukenbak, etensbak, waterreservoir voor zeelui’ ; Pools bak ‘kom; waterbak, afvalbak; meelbak; reservoir’ (uit Nederlands of Duits); Russisch bak ‘houten schaal voor een afdeling matrozen of zeesoldaten; waterbassin; tobbe voor verschillende doeleinden; afdeling matrozen (die uit dezelfde bak eten); (boeventaal) tafel, mok’; Bulgaars baka ‘kom’ ; Oekraïens bak ‘houten schaal voor een afdeling matrozen of zeesoldaten; waterbassin’ ; Azeri bak ‘kom voor water of olie’ ; Indonesisch bak ‘kom, trog’; Ambons-Maleis bak ‘kom, trog’; Jakartaans-Maleis bak ‘plaats om te baden’; Javaans bak ‘waterbak; droogbak; bok (voor koetsiers); zitbank (in koetsje); kastplank’; Madoerees ba', ēbba' ‘koetsbak’; Makassaars ‘waterreservoir’; Menadonees bak ‘kom, trog’; Minangkabaus bak ‘kom, trog; interieur (bijv. van voertuig)’; Muna baki ‘kom, trog’; Sahu bak ‘cementen waterbassin’; Soendanees bak ‘waterbak’; Japans † bakku ‘kom; waterbak, reservoir, tank’; Negerhollands bak ‘kom, bord’; Berbice-Nederlands baksi ‘kom, trog, komvormig iets’; Sranantongo baki ‘houten kom’; Sarnami báki ‘kom, trog’; Surinaams-Javaans bak, bag, baki ‘kom, trog’; Creools-Engels (Maagdeneilanden) † bak, baks ‘kom, bord’ .

bak ‘voorste gedeelte van het opperdek’ -> Deens bak ‘bovenbouw van het dek aan de voorkant van een schip’ (uit Nederlands of Nederduits); Zweeds back ‘klein verhoogd dek’ (uit Nederlands of Nederduits); Russisch bak ‘voorste gedeelte van (het bovenste dek van) een schip’; Bulgaars bak ‘voorste gedeelte van (het bovenste dek van) een schip’ ; Lets baks ‘voorste gedeelte van (het bovenste dek van) een schip’; Litouws bakas ‘voorste gedeelte van (het bovenste dek van) een schip’.

bak ‘laadruimte van een kar’ -> Zuid-Afrikaans-Engels bakkie ‘open bestelauto, pick-up’ .

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

bak kom, trog 1285 [CG I2, 1016] <Frans

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

886. Bij het hek zijn,

d.w.z. bij de hand zijn; behendig, slim zijn; ook in het hd. (gleich) bei der Hecke (= Heck) sein. De uitdr. zal wel op dezelfde wijze moeten verklaard worden als bij de hand zijn, nl. er spoedig bij zijn, in dit geval bij het hek, d.i. in Duitschland een getralied hekje voor de eigenlijke huisdeur; vgl. ook Rutten, 89 b, die mededeelt, dat men onder een hekke in het Haspengouwsch (Neerhespen) het onderdeel eener halfdeur verstaat. Is nu iemand gleich bei der Hecke, zooals de Duitschers zeggen, spoedig bij het hekje, dan is hij vlug klaar, er dadelijk bij, wanneer hij b.v. geroepen wordt, of dat moet openen, onmiddellijk bij de hand. Of de uitdr. uit het Oosten ons land is binnengedrongen, is onzeker; zij is in de oostelijke streken wel bekend, doch ook in het Zaansch, volgens Boekenoogen, 310: Hij is goed bij 't hek, hij is bij de hand, bij de pinken.Of moet hier aan een andere beteekenis van hek worden gedacht? Een derde synonieme zegswijze, die volgens Schuermans, 27 in Limburg gebruikt wordt, luidt: bij den bak zijn (er vlug bij zijn om te eten?), terwijl in de Zaanstreek nog bekend is: bij de loop zijn (Boekenoogen, 591). Zie Noord en Zuid XIX, 29-31; Harreb. I, 299 a; Ndl. Wdb. VI, 488: Nog (goed) bij 't hek, rap, zoo met betrekking tot lichamelijke als geestelijke vermogens gezegd; Grimm, Wtb. IV2, 744; Eckart, 194; Woeste, 96 b: he es fro bi der hecke, he es glik bi der hecke.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut