Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

bah - (uitroep van afkeer)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

ba 1 tw. ‘uitroep van afkeer’
Vnnl. ba ja ‘jawel’ [1600; WNT], Dat hart zei lang al ba van de oorlog (als uitroep van afkeer) [1678; WNT]; nnl. a, ba als uitroep van twijfel [1793; WNT], bah als uitroep van afkeer [19e eeuw; WNT].
Dit is de klanknabootsing van een geluid dat met lippen wordt gemaakt. Er is wel geopperd dat ba en wa zijn ontstaan uit tussenwerpsels als bal en wal (< wel), maar men kan evenzeer aannemen dat “verschillende, op elkander gelijkende tusschenwerpsels in gelijksoortige gevallen werden gebruikt” (WNT).
Tot de 19e eeuw ontbreken citaten met ba als duidelijke uitroep van afkeer; wel bestond reeds mnl. geen boe of ba zeggen ‘helemaal niets zeggen’, zie → ba 3. De betekenis ‘afkeer’ moet wel ouder zijn dan de 19e eeuw, gezien ba zeggen van ‘verfoeien’ uit 1678 en de voorbeelden bij → ba 2. MNW interpreteert ba neen in een tafelspel uit de 16e eeuw als ‘foei’, maar in de latere teksteditie van Leendertz wordt dit gelezen als wa neen, met wa als een versterkend ‘wel’; in de context lijkt ‘welnee’ inderdaad aannemelijker dan ‘foei’. Nog in de 17e eeuw wordt ba gebruikt als een versterkend ‘wel’; deze betekenis is echter aan het eind van de 19e eeuw volgens het WNT in Noord-Nederland verouderd.
In het Engels wordt bah ‘foei’ pas in de 19e eeuw gesignaleerd (OED), mogelijk als ontlening aan het Frans, hoewel het Frans beuh heeft ter uitdrukking van afkeer. Het Engels kent eerder wel ba [1170], later bah [1783], om verbazing of twijfel uit te drukken; in deze betekenis kwam ba in het Nederlands ook wel voor, volgens het WNT (1895) geen juist taalgebruik. De Nederlandse spelling bah verschijnt in het WNT in citaten vanaf ca. 1830; latere woordenboeken geven beide spellingen naast elkaar, en sinds 1992 maakt Dale zelfs onderscheid tussen het tussenwerpsel bah en het zn. ba (zie → ba 2). Zie ook → beu.
Lit.: P. Leendertz (1907) Middelnederlandsche dramatische poëzie, Leiden, 181

ba 2 zn. ‘iets smerigs; hoopje, plasje’
Vnnl. alle baa (gesubstantiveerd bn.) ‘al het walgelijke’ [1678; WNT]; nnl. in kindertaal ba doen ‘een hoopje doen’ [1895; WNT]; ik heb er ba van ‘ik ben het (meer dan) beu’ [1914; Dale], ba(h) ‘hoopje, plasje’ [1984; Dale], grote ba, kleine ba ‘grote boodschap, kleine boodschap’ [1992; Dale].
Wrsch. ontstaan uit het tussenwerpsel → ba 1, dat sinds de 18e eeuw ook als bn. en zn. werd gebruikt: dat zy 'er al ba van was ‘dat zij er al afkerig van was’ [1793; WNT]. De uitdrukking ik ben er ba van komt nu alleen nog dialectisch voor (Dale 1992) en is vervangen door iets beu zijn (zie → beu); het Fries heeft nog wel eat ba wêze ‘iets beu zijn’.
Naast ba ‘grote boodschap, hoopje’ bestond in de jaren 1930 een vorm met reduplicatie: een baba (pers.waarn.).
Lit.: H. Molema (1887) Woordenboek der Groningsche volkstaal in de 19de eeuw, Winsum

ba 3 zn. ‘geen woord, niets’
Mnl. in bijv. Jhesus ne antwoorde ba no bu ‘Jesus antwoordde geen enkel woord’ [1285; CG II, Rijmb.]; vnnl. boe noch ba [1622; WNT], noch ba noch boe [1671; WNT]; nnl. zonder boe of ba [19e eeuw; WNT].
De brabbelwoorden boe en ba zijn willekeurig gearticuleerde klanken. Tegenwoordig heeft de uitdrukking een wat geringschattende connotatie, maar in het Middelnederlands kon ze kennelijk zonder bezwaar gebruikt worden in bijbelse taal.
Nhd. weder buh noch bah sagen; nfri. boe noch ba, boe of ba; me. bow ne be [1330; Johnson] (ne. verouderd say neither buff nor baff).
Lit.: D. Johnson (1992) ‘“The Dwerff seyd neyther bow ne be”: Ne bu ne ba and Sir Degaré, Line 703’, in: Neuphilologische Mitteilungen XCIII, 121-123; Reinsma 1998

EWN: ba 1 tw. 'uitroep van afkeer' (1600)
ANTEDATERING: Ba Pater 'zeker, pater' [1566; iWNT wiegen]
[J. Luif (2010-2018), 'Oudere dateringen van woorden uit het EWN', in: Trefwoord (bewerkt)]

ba 1 tw. ‘uitroep van afkeer’
Vnnl. ba ja ‘jawel’ [1600; WNT], Dat hart zei lang al ba van de oorlog (als uitroep van afkeer) [1678; WNT]; nnl. a, ba als uitroep van twijfel [1793; WNT], bah als uitroep van afkeer [19e eeuw; WNT].
Dit is de klanknabootsing van een geluid dat met lippen wordt gemaakt. Er is wel geopperd dat ba en wa zijn ontstaan uit tussenwerpsels als bal en wal (< wel), maar men kan evenzeer aannemen dat “verschillende, op elkander gelijkende tusschenwerpsels in gelijksoortige gevallen werden gebruikt” (WNT).
Tot de 19e eeuw ontbreken citaten met ba als duidelijke uitroep van afkeer; wel bestond reeds mnl. geen boe of ba zeggen ‘helemaal niets zeggen’, zie → ba 3. De betekenis ‘afkeer’ moet wel ouder zijn dan de 19e eeuw, gezien ba zeggen van ‘verfoeien’ uit 1678 en de voorbeelden bij → ba 2. MNW interpreteert ba neen in een tafelspel uit de 16e eeuw als ‘foei’, maar in de latere teksteditie van Leendertz wordt dit gelezen als wa neen, met wa als een versterkend ‘wel’; in de context lijkt ‘welnee’ inderdaad aannemelijker dan ‘foei’. Nog in de 17e eeuw wordt ba gebruikt als een versterkend ‘wel’; deze betekenis is echter aan het eind van de 19e eeuw volgens het WNT in Noord-Nederland verouderd.
In het Engels wordt bah ‘foei’ pas in de 19e eeuw gesignaleerd (OED), mogelijk als ontlening aan het Frans, hoewel het Frans beuh heeft ter uitdrukking van afkeer. Het Engels kent eerder wel ba [1170], later bah [1783], om verbazing of twijfel uit te drukken; in deze betekenis kwam ba in het Nederlands ook wel voor, volgens het WNT (1895) geen juist taalgebruik. De Nederlandse spelling bah verschijnt in het WNT in citaten vanaf ca. 1830; latere woordenboeken geven beide spellingen naast elkaar, en sinds 1992 maakt Dale zelfs onderscheid tussen het tussenwerpsel bah en het zn. ba (zie → ba 2). Zie ook → beu.
Lit.: P. Leendertz (1907) Middelnederlandsche dramatische poëzie, Leiden, 181

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

bah ‘tussenwerpsel: uitroep van afkeer’ -> Indonesisch ba, bah ‘tussenwerpsel: uitroep van afkeer’; Amerikaans-Engels dialect bakkes, bakkie, baks, bax, bah, akkes, akkie, akkes bakkes ‘gebruikt voor iets weerzinwekkends, uitroep van afkeer of walging; vaak gebruikt als waarschuwing tegen kinderen’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

ba, bah* tussenwerpsel: uitroep van afkeer 1285 [MNW]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut