Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

baggeren - (slijk van de waterbodem ophalen)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

bagger zn. ‘modder; rotzooi’
Mnl. baggaerds vaten ‘tonnen met modder’ [1370-71; Gail.Brugge]; vnnl. baggaert, bagger ‘modder, slijk’ [1500-36; MNW], baggaert, moer en diergelycke ‘bagger, modder en dergelijke’ [1589; WNT vlieten]; nnl. Zuid-Nederlands baggaard ‘modder’ [1865-70; Schuermans], bagger ‘iets waardeloos’ [1993; Coster 1999]; bagger schijten ‘erg bang zijn’ [voor 1984; Coster 1999].
Herkomst onduidelijk.
Verwantschap met Russisch bagnó ‘moeras’; (Oud)pools bagno en (Oud)tsjechisch bahno is mogelijk. Nederlands bagger vertoont ook enige gelijkenis met Engels bog ‘moeras’ en Frans boue ‘id.’. Deze laatste twee leidt men echter af van Keltisch bogach ‘moeras’, teruggaand op boc ‘zacht’ < pie. *bhuggo-. Als dit juist is, kan het niet met bagger verbonden worden. Men poneert pie. *bhogh- ‘modder, moeras’, maar het Slavisch wijst op *bhog- of een lange vocaal. Wrsch. gaat het hier eerder om een niet-Indo-Europees substraatwoord.
Als leenwoord uit het Nederlands of Nederduits duikt pas vanaf de 18e eeuw het Hoogduitse werkwoord baggern op, waarvan een nieuw nomen agentis Bagger ‘graaf-, baggermachine’ werd afgeleid.
baggeren ww. ‘bagger ophalen; door modder lopen’. Mnl. bagg(h)eren, -garen, -gaerden, -garden ‘baggeren, bagger ophalen’ [1426; MNHWS]; vnnl. baggert ‘door de modder loopt’ [1658; WNT]. Afleiding van bagger. Gronings baggeln; Fries baggelje.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

baggeren ww., mnl. baggheren, baggaren, baggaerden. Een speciaal ndl. woord. Uit het Ndl. komen ndd. hd. baggern, waarvan weer hd. bagger m. “baggermachine”. Ndl. bagger (nu weinig gebruikelijk) beteekent “modder”. Reeds mnl. (vooral holl.) komt baggher, baggaert m. voor; baggerd bestaat nog in ʼt Vla. en Kempensch. Gron. bag(g)el, baggelder, fri. baggelder = “gebaggerde turf”. Baggeren is in ʼt Fri. baggelje (-erje), gron. baggeln. Verwantschap met russ. bagnó “moerasland”, čech. bahno, po. bagno “moeras” is mogelijk, waarschijnlijker dan de combinatie van deze woorden met beek. Wellicht is mnl. baggaert volksetymologisch vervormd (naar aarde) en mogen wij van germ. *ƀaʒra-, idg. *bhogh-ro- uitgaan. Voor een ander oud woord, dat in onze veenachtige streken bewaard gebleven is, zie derrie.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

2bagger ww.
Slik, sand of modder met 'n bepaalde soort masjien uithaal.
Uit Ndl. baggeren (Mnl. baggaerden).
D. baggern (18de eeu).

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

baggeren ‘slijk van de waterbodem ophalen’ -> Duits baggern ‘bedienen van een bagger- of graafmachine, (sport) slagtechniek binnen de volleybal’; Zweeds baggra ‘modder van de waterbodem ophalen’; Tsjechisch bagrovat ‘bedienen van een bagger- of graafmachine’ ; Slowaaks bagrovať ‘bedienen van een bagger- of graafmachine’ ; Kroatisch bagerirati ‘bedienen van een bagger- of graafmachine’; Macedonisch bagerira ‘bedienen van een bagger- of graafmachine’; Servisch bagerovati ‘bedienen van een bagger- of graafmachine’; Sloveens bagrati ‘bedienen van een bagger- of graafmachine’.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut