Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

bagage - (wat men op reis meeneemt)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

bagage zn. ‘wat men op reis meeneemt’
Vnnl. bagagye, -agie ‘last, bundel’ [1515-20; MNHWS], De bagagien van een heyr ‘legerbagage’ [1562; Kil.], bagage ‘legertros’ [1567; Nomenclator].
Ontleend aan Frans bagage ‘bagage; legertros’ [13e eeuw], een collectief bij bagues ‘pak, bundel’. De verdere herkomst van dit woord is niet zeker. Waarschijnlijk hoort het bij middeleeuws Latijn baga ‘pak, bundel’, een woord van Germaanse oorsprong: on. baggi ‘pak’, oe. bagga (ne. bag ‘tas, zak’), zie → pak 1.
Lit.: W. Jones (1976) A Lexicon of French Borrowings in the Germanic Vocabulary (1575-1648), Berlin/New York, 128-129

EWN: bagage zn. 'wat men op reis meeneemt' (1515-20)
ANTEDATERING: mnl. Alle sijn baggaidge, dat ... was in sijn herberge 'al zijn bagage die in zijn herberg was' [1470; iMNW tote]
Later: sijn iuweelen ende sijn bagagien 'zijn juwelen en zijn kostbaarheden' [1516; MNHWS]; haer bagagien te trossen 'haar bagage te pakken' [1515-30; MNHWS] (EWN: 1562); hun eyghen packen ende bagage [1614; iWNT verparken] (EWN: 1567*)
{* De derde attestatie in het EWN is onjuist. In de Nomenclator staat niet bagage, maar bagagie.}
[J. Luif (2010-2018), 'Oudere dateringen van woorden uit het EWN', in: Trefwoord (bewerkt)]

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

bagage [reisgoed] {bagagye, bagagie 1515-1520} < frans bagage < middeleeuws latijn bagagium [idem], van baga [zak, tas, koffer], vgl. bagge1 en engels bag, dat mogelijk stamt van oudnoors baggi [zak], waarnaast nederlands pak, waarvan de verdere herkomst duister is.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

bagage znw. v., mnl. bagage, bogage, bogaedse < fra. bagage (vgl. ital. bagaglia) < mlat. bagagium, dat zelf weer afgeleid is van mlat. baga ‘zak’, ofra. bague ‘pak’. — > nhd. zw. bagage.

De herkomst van het mlat. woord baga is onzeker. Johansson, KZ 36, 1900, 361 denkt aan overname uit het germ. < vgl. on. baggi ‘pak, bundel’ (AEW 22); maar daartegen Meyer-Lübke, REW 70, die het uitgangsgebied van het woord in Noord-Italië en Dalmatië zoekt (misschien een soldatenwoord, vgl. de betekenis ‘legertros’). — Fokker, ZfRPh 6. Beiheft 6 denkt aan spa. bagaje, dat hij uit arab. baġl ‘muildier’ afleidt.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

bagage znw., mnl. bagage v., oudtijds ook = “legertros”. Evenals hd. de. bagage, eng. baggage uit fr. bagage (it. bagaglia, -io, mlat. bagagium), een afl. van mlat. baga “zak”, ofr. bague “pak”. Dit is volgens sommigen weer uit het Germ. ontleend. Vgl. echter pak.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

bagage. Ook zw. bagage. Hd. bagage geldt als ontleend via het Ndl.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Aarts (2017), Etymologisch Dictionairke vaan ’t Mestreechs, Maastricht

bagaasj (zn.) bagage; Nuinederlands bagagie <1515-1520> < Frans bagage.

F. Debrabandere (2011), Limburgs etymologisch woordenboek: de herkomst van de woorden uit beide Limburgen, Zwolle

bagaasj, bagaai, begaasj, zn.: schorem, tuig, uitschot. Deze betekenis van babage gaat terug op Vnnl. bagagie, tros ‘(leger)tros’ (Kiliaan). Uit 13de-eeuws Fr. bagage ’bagage, legertros’, collectief bij bagues ‘pak, bundel’. Het woord kreeg de pejoratieve betekenis ‘uitschot, gemeen volk, tuig’ aangezien de gewone, gemene soldaten de tros, de legerbagage moesten begeleiden. Het woord kan goed worden vergeleken met verouderd Ndl. pak ‘gespuis’. In het Duits komt Pack, Gepack, Gepäck ‘gespuis’ sinds de 16de eeuw voor.

F. Debrabandere (2010), Brabants etymologisch woordenboek: de herkomst van de woordenschat van Antwerpen, Brussel, Noord-Brabant en Vlaams-Brabant, Zwolle

bagage, begazie, zn.: bocht, rommel, troep, slechte waar; herrie. Deze betekenis gaat terug op Vnnl. bagagie, tros ‘(leger)tros’ (Kiliaan). Uit 13de-eeuws Fr. bagage ’bagage, legertros’, collectief bij bagues ‘pak, bundel’. Het woord kreeg de pejoratieve betekenis ‘uitschot, gemeen volk, tuig’ aangezien de gewone, gemene soldaten de tros, de legerbagage moesten begeleiden. In het Antwerps ook voor zaken. Het woord kan goed worden vergeleken met verouderd Ndl. pak ‘gespuis’. In het Duits komt Pack, Gepack, Gepäck ‘gespuis’ sinds de 16de eeuw voor.

bagages, zn.: kleren, pak, kostuum. Hetzelfde woord als het vorige. Uit de bet. ‘pak’ ontstond die van ‘reisgoed, reisbagage’, ‘op reis meegenomen kleren’ en ‘kleren, pak’. Vgl. Ndl. pak ‘kostuum’.

F. Debrabandere (2007), Zeeuws etymologisch woordenboek: de herkomst van de Zeeuwse woorden, Amsterdam

blagazie, blaganzie zn. v.: snoeverij, windmakerij, kouwe drukte. Ovl. ook bagage, bagaadje, blagaze: 1738 groote bagagie, kleyn debit; 1795 die bogagen van jonge advocaeten, Gent (LC). Ook Wvl. bagagie ‘snoeshaan, beslagmaker’ (De Bo). Misschien – met epenthetische l – het Franse woord bagage via de bet. ‘nutteloze last, belangeloze zaak’. Maar veeleer volksetymologische contaminatie van bagage en Wvl. en Zeeuws bagaai, var. van blagaai ‘valse praal, bluf, kouwe drukte’. Vgl. Ovl. samenst. bagagemaker, bagamaker, bagaadjemaker.

F. Debrabandere (2005), Oost-Vlaams en Zeeuws-Vlaams etymologisch woordenboek: de herkomst van de Oost- en Zeeuws-Vlaamse woorden, Amsterdam

bagage (G, W), bagaadje (ZO), blagaze (L), blaga(n)zie (ZV), zn. v.: snoeverij, windmakerij, kouwe drukte (W, ZO, ZV), windmaker, snoever (G, L). 1738 groote bagagie, kleyn debit; 1795 die bogagen van jonge advocaeten, Gent (LC). Ook Wvl. bagagie 'snoeshaan, beslagmaker' (De Bo). Misschien het Franse woord bagage via de bet. 'nutteloze last, belangeloze zaak'. Maar veeleer volksetymologisch uit Wvl. en Zeeuws bagaai, var. van blagaai 'valse praal, bluf, kouwe drukte', ook baga (W). Samenst. bagagemaker (Al, G, W), bagamaker (W), bagaadjemaker (ZO), vgl. Wvl. bagaaimaker (De Bo).

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

bagasie s.nw.
Tasse, sakke, of dergelike waarin die items, bv. klerasie, wat saam op reis geneem word, gepak word.
Uit Ndl., gewestelik in Holland in die vorm bagagie (1599). Die standaardvorm in Ndl. is bagage. Die -age in Ndl. woorde van Fr. herkoms word -asie in Afr., soos o.a. ook in boskasie, lekkasie, pakkasie en stoffasie. Reeds by Van Riebeeck op 17 Oktober 1657 in die vorm bagagie (Resolusies van die Politieke Raad, C. 1), waarna in Afr. in Patriotwoordeboek (1902).

pakkaas s.nw. (geselstaal)
Spul bybehorende mense, dikw. onopgevoed.
Miskien uit Ndl. bagage (1599) 'voorrade en manskappe van die leër'. Die vorm stellig onder invloed van pakkasie. Ndl. pakkage het ook vroeër, tans verouderd, die bet. 'leërtros' gehad. Dit is onduidelik of pakkaas en pakkasie wisselvorme is, of hulle doeblette is, en of hulle afgelei is van onderskeidelik Ndl. bagage en pakkag(i)e en toevallig saamval.
Vgl. pakkasie.

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

pakkaas: gew. “nie-gewilde geselskap v. ongedissiplineerde/onopgevoede mense”, soms ook pakkasie genoem, maar lg. kan sowel “goedererommel” as “menserommel” insluit; vlgs. WNT (XII 173) is pakkage (vroeër pakkagie, maar nog nie by Kil nie), wsk. vroeg 17e eeu na d. vb. v. bagage of regstreeks ontln. a. Eng. package, lg. behels nog hoofs. koll. “goedere”, maar baggage kan ook “menserommel” insluit en pas o.i. beter by pakkaas as by pakkasie – Scho TWK 14, 1, p. 26 gee vb. v. pakkasie in bet. “gespuis” uit 1862 en verwys na bet. “leërtros” (by WNT) en na dial. Ndl. begaaschje, “bedelvolk, grauw” (by Dor I 12) en lg. bring dit ook in verb. m. Fr. bagage – d. vraag rys of ons in pakkaas en pakkasie wv. het of doeb. of toevallige saamval v. twee wd. uit bagage en pakkage ondersk.

Thematische woordenboeken

Nicoline van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

bagage (Frans bagage)
Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

bagage ‘reisgoed’ -> Duits Bagage ‘reisgoed; tros, trein; gespuis, tuig’; Indonesisch bagasi ‘reisgoed; bagagewagen; bagageruimte’; Jakartaans-Maleis bahasi ‘reisgoed; bagageruimte’; Javaans bergasi ‘reisgoed; bagagewagon’; Madoerees bagasi ‘reisgoed’; Menadonees bahasye ‘bagagedrager’; Sranantongo bagasi ‘reisgoed’; Surinaams-Javaans bagasi ‘reisgoed’ .

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

bagage reisgoed 1515-1520 [HWS] <Frans

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut