Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

bad - (kuip waarin men zich baadt, het baden)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

bad zn. ‘kuip waarin men zich baadt, het baden’
Mnl. bat ‘bad, badinrichting’ [1240; Bern.], met bade ‘door het baden’ [1285; CG II; Rijmb.], in een bat ‘in een bad’ [1374; MNW-R]; vnnl. badt, bad [1562; Kil.].
Os. bath; ohd. bad (nhd. Bad); ofri. beth (nfri. bad); oe. bæð (ne. bath); on. bað ‘stoombad’; < pgm. *baþa-, verbaalabstractum met het achtervoegsel -þa van de wortel van het ohd. werkwoord bājan, bāen ‘verwarmen’.
Het pgm. verbaalabstractum gaat terug op pie. *bhh1tó-, een afleiding van de wortel pie. *bheh1- ‘warmen, roosteren’, zie ook → bakken 1.
baden ww. ‘een bad nemen’. Onl. bathen ‘baden’ [ca. 1100; Will.]; mnl. baden ‘id.’ [1240; Bern.]. Afleiding van bad.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

bad* [kuip, water waarin men zich baadt] {bat 1201-1250} oudsaksisch bað, oudhoogduits bad, oudfries beth, oudengels bæð, oudnoors bað, verwant met oudhoogduits bajan [koesteren]; de grondbetekenis is ‘warm maken’, verwant met bakken1.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

bad znw. o., mnl. bat, os. bath, ohd. bad, ofri. beth, oe. bæð, on. bað. — Behoort tot de idg. wt. *bhē ‘warmen, roosteren’, vgl. ohd. bajan, nhd. bähen ‘warm maken’. — Zie verder: baaien, bakken en bed.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

bad znw. o., mnl. bat (d) o. = ohd. (nhd.) bad, os. bath, ofri. beth, ags. bæð (eng. bath), on. bað o. “bad”. Germ. *ƀaþa-, “warm bad”, idg. *bhəʹ-to- of *bhó-to- is een afl. met het suffix idg. -to- van den wortel idg. bhê-, waarvan ook ohd. bâjan, bâen (nhd. bähen) “met warm water wasschen, met omslagen verwarmen”. Lat. foveo “ik koester, verwarm” en russ. báńa, serv. bȁnja “bad”, die hiermee wel gecombineerd zijn, kunnen beter anders verklaard worden, foveo uit *dhoguhejō bij oi. dáhati “hij brandt” (zie dag), báńa als een ontl. uit het Rom.: it. bagno enz. “bad”. Veeleer is deze wortel bhê- identisch met dien van kymr. bal “met een witten kop”, gr. pephḗsetai, “hij zal verschijnen”, phalós “schitterend”, obg. bélŭ “wit”, lett. bâls “bleek”, lit. bálti “wit worden”, alb. bałɛ “voorhoofd”, ôi. bhā́la- “id.” en “glans”, bhā́ti “hij schittert” (vgl. boenen). Deze basis beteekent van ouds “schitteren”; de germ. woorden laten zich verklaren uit een secundaire bet. “verhitten, warm maken”, die buiten ʼt Germ. niet voorkomt, maar die voor deze taalgroep ook door ags. bæ̂l, on. bâl o. “vuur, brandstapel” wordt gepostuleerd.

[Aanvullingen en Verbeteringen] bad. Bij gr. phalós, obg. bělŭ enz. is te voegen: got. bala (zwakke nomin.) “phaliós, to sṓma phaiós, to métōpon de hápan ek kephalḗs mékhri es rīnas leukós málista” en Ballo-marius, naam van een Marcomannenkoning.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

bad. Het is veiliger zich te beperken tot het vaststellen van de ablautsverhouding tot ohd. bâjan, bâen ‘met warm water wassen, met omslagen verwarmen’. De verwantschap met een idg. wortel *bhê- ‘schitteren’ kan niet zo stellig worden aanvaard als in het art. geschiedt. Ags. bæ̂l, on. bâl o. ‘vuur, brandstapel’ worden wsch. terecht tot die wortel gebracht, maar lichten de voor bad veronderstelde begripsontwikkeling nog niet voldoende toe.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

bad n., Mnl. bat, Os. bath + Ohd. bad (Mhd. bat, Nhd. bad), Ags. bæđ (Eng. bath), Ofri. beth, On. bad (Zw., De. bad): Ug. ba-þam, Idg. bho-tom + Lat. fovêre = verwarmen, Osl. banja (Serv. bänja, Ru. bana) = bad; met Idg. ablaut bhê, Ohd. bâjan (Nhd. bähen) = betten; z. ook bakeren en bakken.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

J. van Donselaar (1989), Woordenboek van het Surinaams-Nederlands, Muiderberg

bad (de): een bad nemen (nam, heeft genomen), zich wassen. Straks zullen ze hun water komen kranen* om de beurt, om in de badkamer* achter het erf* hun bad te nemen (Ferrier 1968: 126).
— : een halve bad nemen, zich ten dele wassen, i.h.a. gezicht, handen en voeten. Mensen, ik zeg jullie! Ik ga me halve bad nemen, die dag! Ik was me gezicht, me handen, ik was me navel aan me buik! (Cairo 1980a: 60).
— : een hele bad nemen, zich geheel wassen. Als wij gevoetbald hebben, nemen wij een hele bad.

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

bad I: mv. (as voorw.), -de/-dens, (as bv. sonbad), -baaie; Ndl. bad (Mnl. bat), Hd. bad, Eng. bath, herk. hoërop onseker.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

bad ‘kuip, water waarin men zich baadt’ -> Tswana bata ‘kuip, water waarin men zich baadt’ (uit Afrikaans of Engels); Zuid-Sotho bate ‘kuip, water waarin men zich baadt’ (uit Afrikaans of Engels); Negerhollands bad, bat ‘kuip, water waarin men zich baadt’; Sranantongo bat ‘kuip, water waarin men zich baadt’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

bad* kuip, water waarin men zich baadt 1240 [Bern.]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut