Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

babbelkous - (iemand die graag babbelt (vaak minacht.))

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

babbelen ww. ‘aanhoudend praten’
Vnnl. babbelen ‘knabbelen, bijten op’ [1530; Toll.], ‘de kaken bewegen’ [1544; MNW]; nnl. ‘babbelen; leuteren, brabbelen’ [1784; Toll.].
Frequentatief bij babben ‘babbelen, leuteren, iemand voor de gek houden’ [1599; Kil.], dat moet zijn afgeleid van babbe ‘het (kwijlend) gestamel van kleine kinderen’ [WNT babbelen], waarbij ook de Nederlandse (verouderde) dialectvorm babbe, quijl-babbe ‘slabbetje’ [1657; WNT babbe]; dial. babbaard ‘kwijlende kind, kwijlbek’; Frans bave ‘kwijl’; zie ook → baby.
Mnd. babbelen; nhd. dial. babbeln ‘zwetsen’; nfri. babbelje; me. babelen ‘stamelen, stotteren’ (ne. babble ‘stamelen, babbelen’); nde. bable ‘babbelen’, bavle; nzw. babbla.
Overeenkomend met Latijn babulus ‘kletser’, balbutīre ‘stamelen’ (middeleeuws Latijn babellare ‘babbelen’; Frans babiller; Italiaans babollare); Grieks babázein ‘babbelen’, bambaínein ‘stamelen’; Sanskrit balbūthá-ḥ (als eigennaam) ‘stotteraar’; Pools paplac; Russisch dial. balabolit; < pie. *baba- (IEW 91), een klanknabootsing, stamelwoord voor niet-gearticuleerd, onduidelijk spreken, zie ook → barbaar.
Uit de meer algemene oudere betekenis ‘de kaken bewegen’, ontstond in sommige dialecten de betekenis ‘knabbelen op iets, beknabbelen’ en vandaar Zuid-Nederlands babbelaar ‘soort snoepgoed’ (Schuermans), babbelut, babbellutte ‘babbelaar, stroopballetje’ (Desnerck).
Varianten zijn nnl. brabbelen; nhd. blabbern, plappern; nde. blabre (< ode. blable) en ook ne. blab ‘babbelen, roddelen, zijn mond voorbij praten’.
babbel zn. ‘gezellig praatje; praat, verhaal’. Nnl. de babbel staat hem nooit stil ‘hij houdt nooit zijn mond’ [1872; Dale], babbels hebben ‘praats hebben’ [1914; Dale], een babbeltje slaan of maken ‘een gezellig praatje maken’ [1940; Koenen], hij heeft een vlotte babbel ‘hij kan een goed verhaal houden’ [1984; Dale NN]. Afleiding van babbelen. ♦ babbelaar zn. ‘soort snoepgoed’. Nnl. babbelaar ‘id.’ [1865-70; Schuermans]. Afleiding van babbelen in de dialectische betekenis ‘op iets knabbelen’ met het achtervoegsel → -aar. ♦ babbelbox zn. ‘telefoonlijn waar meerdere mensen tegelijk met elkaar verbonden zijn’. Nnl. babbelbox ‘id.’ [1990; Kramers III]. Gevormd uit de stam van babbelen en → box in de aan het Engels ontleende betekenis ‘doos, kastje’. ♦ babbelkous zn. ‘iemand die graag babbelt’. Nnl. babbelkous ‘id.’ [1862; Kramers NF]. Gevormd uit de stam van babbelen en → kous, een minachtende benaming voor een vrouw, zoals ook in zeurkous. ♦ babbelziek bn. ‘te praatlustig’. Nnl. babbelziek ‘id.’ [1879; WNT]. Gevormd uit de stam van babbelen en -ziek ‘lijdend aan (een teveel) aan’, zie → ziek.
Lit.: R. Desnerck (1981) Oostends woordenboek, Oostende

EWN: babbelen ww. 'aanhoudend praten'; de betekenis 'leuteren' (1784)
ANTEDATERING: Die Hypocriten … babbelen … all zonder noodt 'schijnheiligen kletsen zonder noodzaak' [1557; iWNT nood]
EWN: ♦ babbel zn. 'gezellig praatje; praat, verhaal' (1872)
ANTEDATERING: Babbel, ofte babbelinge '(het) babbelen' [1648; Hexham]
Later: babbels in: die zo veel babbels heeft [1770; Koopman 2, 328] (1914)
EWN: ♦ babbelaar zn. 'soort snoepgoed' (1865-70)
ANTEDATERING: Een Babbelaer 'een kletser' [1648; Hexham]
Later: 1 Trommel met Babbelaars (spelling niet zeker) [1777; Register 2, 1258] (1865-70); De babbelaars zijn lekker en goedkoop [1800; Van Woensel, 159]
EWN: ♦ babbelbox zn. 'telefoonlijn waar meerdere mensen tegelijk met elkaar verbonden zijn' (1990)
ANTEDATERING: Babbelbox 'telefoonservice "om wildvreemden met elkaar te laten communiceren"' [1988; Leidsch dagblad (Ld) 19/5]
EWN: ♦ babbelziek bn. 'te praatlustig' (1879)
ANTEDATERING: babbelzieke en godslasterende Ketters [1754; Bower 2, 333]
[J. Luif (2010-2018), 'Oudere dateringen van woorden uit het EWN', in: Trefwoord (bewerkt)]

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

babbelkous s.nw.
Babbelbek.
Uit Ndl. babbelkous (1843 - 1873), met kous, verouderd behalwe in S.Ndl., wat 'n veragtelike benaming is vir 'n vrou wat haarself te buite gaan aan iets. In Afr. is kous mettertyd op albei geslagte toegepas. Eerste optekening in Afr. in Patriotwoordeboek (1902).

Thematische woordenboeken

M. De Coster (2007), Groot scheldwoordenboek: van apenkont tot zweefteef, Antwerpen

babbelkont, babbelkous: iemand die voortdurend babbelt. Een synoniem is: kletskous*.

... ik ruilde toch mijn olde kruiddoos tegen eene nieuwe, om te weten wat hij aan die babbelkous al zoo heeft op de mouw gespeld... (Jacob van Lennep, De pleegzoon, 1833)
Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut