Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

baas - (leider, hoofd van iets)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

baas zn. ‘leider, hoofd van iets’
Mnl. als toenaam in pieter baes [1280; CG I, 462], ten base ‘naar het gezinshoofd’ [1380-1425; MNW-R]; vnnl. baes ‘vriend en meester, gezinshoofd’ [1599; Kil.].
Laat-mnd. bas ‘opzichter bij dijkwerken’ (nnd. bas ‘meester’); ofri. bas ‘meester’ (nfri. baas); < pgm. *basa-, van onbekende oorsprong. Sommigen denken dat het woord in verband staat met ohd. basa, wasa ‘vaderszuster’ (nhd. dial. Base ‘nicht’), ook Westfaals bäsa ‘vaderszuster’; dit verband is echter twijfelachtig.
Er zijn geen verwanten in andere Indo-Europese talen. Het gaat wrsch. om een woord uit een niet-Indo-Europees substraat.
Aan het Nederlands ontleend zijn: Vroegnieuwhoogduits bas, baß ‘baas, opzichter’; Noord-Duits Baas; Zweeds, Deens, Noors bas ‘voorman van een werk’. Ook Engels boss ‘hoofd van de zaak, leider van een politieke partij’ is ontleend aan Nederlands baas: Amerikaans-Engels work base ‘werkbaas, voorman’ [1649; OED], the basses house ‘het huis van de baas’ [1653; OED]. De Engelse spelling werd boss [1803; OED] naar analogie van woorden als boss ‘knop’, die in het Amerikaans-Engels worden uitgesproken met een ontronde -o- (op dezelfde wijze komt → dollar van daler ‘daalder’).

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

baas* [meerdere, hoofd] {in de persoonsnaam Pieter Baes 1280} fries baes, etymologie onbekend.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

baas znw. m., mnl. baes (zelden), bij Kiliaen baes ‘vriend, pater familias’, fri. baes ‘baas, meester’. Als grondvorm is aan te nemen *basa, waarvan de herkomst in het duister ligt. — > laat-mnd. bās ‘opzichter bij dijkwerken’; > nhd. bās (sedert 1742, vgl. Kluge, Seemannssprache 1911, 50); > amerik. eng. boss ‘baas, leider van een politieke partij’; > de. zw. bas ‘voorman van een werk’; > fra. bausse ‘patroon’ (uit brab. of vla. baos; Valkhoff 55).

Hellquist 56 denkt aan een kustwoord en vermoedt als oorsprong een vleinaam; maar acht verband met nhd. base ‘tante, vaderszuster’ hoogst onzeker.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

baas znw., mnl. (zeldzaam) baes m., bij Kil. = “amicus, et heres, pater-familias”. = ndd. bās, fri. baes “baas, meester”. De vocaal van achterh. baas, westf. bās wijst op een grondvorm met : *basa-. De oorsprong is duister. De combinatie met ohd. basa v. “tante, vaderszuster” (nhd. base “vrouwelijke verwante”) is onwaarsch. De oudste bet. van baas zal wel “meester, heer” zijn. De. zw. bas komen uit het Ndd.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

baas. Laatmnd. bās komt het eerst voor in de bet. ‘opzichter (bij dijkwerken)’ en is blijkbaar uit het Ndl. ontleend. Ook uit het Ndl. amerik.-eng. boss.
Een weinig waarschijnlijke gissing omtrent de oorsprong bij Holthausen PBB. 44, 479: het woord zou ontstaan zijn uit een compositum *bātes-man, waarin het eerste lid = baat.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

baas m., Mnl. baes + Ndd. bas, Fri. baes; is de tegenw. bet. ontstaan uit de bepaalder bet. van vadersbroeder, dan is het evenals Ohd. basa = vaderszuster (Nhd. base = nicht) een “koseform” van een Idg. samenstelling met pater als eerste lid, waarvan de p verschoof, niet tot f (v), maar tot b.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

J. van Donselaar (1989), Woordenboek van het Surinaams-Nederlands, Muiderberg

baas: de baas spelen op (speelde, heeft gespeeld), (niet alg.) de baas spelen over. Hij speelt de baas op mij (mond.). - Etym.: Het is de lett. vert. van S: A pré basi na mi tapoe.

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

baas: besitter, eienaar; heer; gesagvoerder, hoof (o.a. in huislike kring); werkgewer (o.a. by boerdery en nywerheid); uitblinker in ’n vak; in S.A. veral aansprv. v. blankes deur nie-blankes; ook as aansprv. (soms dimv. baas/basie) voor eien. onder blankes onderling; Ndl. baas (lae frekw. in suidelike Mnl., veral Holl. en o.a. in seemt., by Kil baes bv. ook “paterfamilias”, vroeër blb. ook op vrou toeg.), Hd. bas en Eng. (veral Am.-Eng.) boss wsk. uit Ndl., vroeër menings i.s. mntl. verb. m. Ndl. baat en m. Tur. pasja reeds prysgegee; vgl. verder grootbaas, kleinbaas, oubaas.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

baas ‘meerdere, hoofd’ -> Fries baas ‘meerdere, hoofd’; Vastelands-Noord-Fries bååis ‘meester’ (uit Nederlands of Nederduits); Engels baas ‘werkgever; aanspreektitel’ ; Engels boss ‘werkgever, chef; politiek leider’; Duits Baas ‘(scheepvaart) heer, meester, opzichter; tussenpersoon’; Duits Boss ‘diegene die in een onderneming of in een groep de leidersrol heeft, die bepaalt wat er gedaan wordt; chef; meerdere’ ; Deens boss ‘chef; politieke volksmenner’ ; Deens bas ‘(scheepvaart) meester, voorman, de beste, de aanvoerder’ (uit Nederlands of Nederduits); Deens baas ‘blanke slavenopzichter op een koffieplantage; leidershond bij een groep honden’; Noors bas ‘leider, de beste, voorman’ (uit Nederlands of Nederduits); Noors boss ‘meerdere; (VS) partijleider’ ; Zweeds boss ‘hogergeplaatste’ ; Zweeds bas ‘voorman’ (uit Nederlands of Nederduits); Frans dialect bos', boze ‘chef; politieagent’; Frans boss ‘meerdere, hoofd’ ; Italiaans boss ‘meerdere, hoofd (meestal van misdadige organisaties, zoals de maffia’ ; Spaans bos ‘meerdere, hoofd’ ; Tsjechisch boss ‘chef, politiek leider’ ; Pools boss ‘baas; leider van een politieke partij’ ; Kroatisch bos ‘meerdere, hoofd’ ; Macedonisch bos ‘chef, hoofd’ ; Servisch bos ‘meerdere, hoofd’ ; Sloveens baas ‘(scheepvaart) meerdere, hoofd’; Sloveens bos, boss ‘heer, meester, meerdere’ ; Russisch bos ‘meerdere, hoofd’ ; Bulgaars bos ‘chef, hoofd’ ; Lets boss ‘meerdere, hoofd’ ; Litouws bōsas ‘meerdere, hoofd’ ; Grieks mpos /bos/ ‘meerdere, hoofd’ ; Maltees boss ‘meerdere, hoofd’ ; Gã base ‘cipier’; Zuid-Afrikaans-Engels baas ‘hoge functionaris, ondernemer, werkgever’ ; Indonesisch bas ‘meerdere, hoofd; voorman’; Indonesisch bos ‘meerdere, hoofd’ ; Ambons-Maleis bas ‘meerdere, kampioen, expert’; Jakartaans-Maleis bos ‘meerdere, hoofd’ ; Jakartaans-Maleis bas ‘meerdere, hoofd’; Javaans bas ‘meerdere, hoofd’; Madoerees bas, ēbbas ‘meerdere, mandoer, opzichter’; Menadonees bas ‘opzichter’; Petjoh bas ‘meerdere, hoofd’ ; Creools-Portugees (Ceylon) baas ‘meerdere, hoofd’; Singalees bās ‘opzichter; ambachtsman; aanspreektitel: meester’; Chinees dialect bosi ‘meerdere, hoofd’ (uit Nederlands of Engels); Amerikaans-Engels boss ‘werkgever, chef; aanspreektitel; politiek leider’; Negerhollands baas, bās, baes ‘meester, opzichter’; Papiaments bas (ouder: baas) ‘meerdere, hoofd; aanspreektitel; expert’; Papiaments † ba ‘aanspreektitel’; Sranantongo basi ‘meerdere, hoofd’; Aucaans basi ‘meerdere, hoofd’; Saramakkaans bási ‘meerdere, hoofd’; Arowaks basia ‘meerdere’; Karaïbisch ba`si ‘aanspreektitel: broer, vriend’ ; Tiriyó paasi ‘belangrijkste helper’ ; Sarnami bás ‘meerdere, hoofd’; Surinaams-Javaans bas ‘meerdere, hoofd’; Caribisch-Engels baas ‘meester’.

N. van der Sijs (2006), Klein uitleenwoordenboek, Den Haag

baas. Het woord baas is in het Nederlands bekend sinds de tweede helft van de dertiende eeuw. Het kwam vooral voor in Holland. Van het woord bestaan geen verwanten in andere Indo-Europese talen, en de herkomst is dan ook onbekend: geen van de gissingen erover is tot nu toe bewezen. De oorspronkelijke betekenis van baas was, zo blijkt uit het WNT, 'het hoofd van het huisgezin, de huisheer aan wie het hele gezin, inclusief de huisdieren, ondergeschikt is'. Cornelis Kiliaan omschreef baas in zijn Latijnstalige etymologische woordenboek van het Nederlands uit 1599 met het Latijnse begrip paterfamilias. Vervolgens werd het woord, veelal in de verkleinvorm baasje, gebruikt voor een oudere man, vaak van mindere stand ('een rond, dik, vet baasje'), of een kleine jongen ('Even later kwam zij terug met een klein baasje van een jaar omtrent [...] op den arm'). Bovendien werd de betekenis 'hoofd van het huisgezin' uitgebreid naar 'hoofd, chef, iemand die ondergeschikten onder zich heeft', en vervolgens naar 'iemand die boven anderen uitmunt, niet zozeer door rang als wel door persoonlijke hoedanigheden': hij is een baas in het rekenen.

Ook op schepen waren er personen die baas genoemd werden, en dankzij de maritieme contacten tussen de Lage Landen en Noord-Duitsland is het Nederlandse woord baas overgenomen door het Nederduits. In de negentiende eeuw werd het woord vervolgens als Baas overgenomen in het Hoogduits. Ook in het Deens, Noors en Zweeds is het Nederlandse woord baas in de vorm bas overgenomen, misschien via het Nederduits; dit bas betekent zowel 'voorman' als 'de beste'.

Nederlandse kolonisten namen het woord mee naar hun nieuwe vestigingen buiten Europa. Zo belandde het in Nieuw Amsterdam, het huidige New York. Al omstreeks 1650 is hier sprake van een work base 'werkbaas' en van the basses house 'het huis van de baas'. De aa in baas werd niet uitgesproken als een heldere /aa/, zoals in het Standaardnederlands, maar als /oa/ - misschien was dat de uitspraak van de Nederlanders die naar Amerika trokken, maar de uitspraak kan ook ontstaan zijn onder invloed van het Engels. Hoe het ook zij, in het Amerikaans-Engels veranderde baas in boss. Vanuit New York verbreidde dit woord zich over de andere Amerikaanse staten. Pas in de negentiende eeuw werd het algemeen gebruikelijk. Dat boss in Amerika algemeen overgenomen werd, kwam doordat het een aanvaardbaar alternatief vormde voor master - een woord waarmee men in Engeland een meerdere aanduidde. De Engelsen die naar het nieuwe continent Amerika trokken, wilden zich onttrekken aan de hiërarchische relaties in het moederland en zochten daarom naar een alternatief voor master. Bij de vele Engelse kolonisten die hun leven in Amerika waren begonnen als contractarbeiders, had master ongunstige connotaties, en blanke arbeiders hadden bovendien bezwaar tegen master omdat dit door slaven werd gebruikt (uitgesproken als massa). Zo schreef James Flint in 1818 in Letters from America:

Master is not a word in the vocabulary of hired people. Bos, a Dutch one of similar import, is substituted. The former is used by Negroes, and is by free people considered as synonymous with slave-keeper. ('Master komt niet voor in de woordenschat van arbeiders. Het wordt vervangen door bos, een Nederlands woord met dezelfde strekking. Het eerste woord wordt door negers gebruikt en wordt door vrije mensen beschouwd als synoniem aan slavenhouder.')

In 1823 werd dit in een andere bron bevestigd:

No one, in this republican country, will use the term master or mistress; employers, and the Dutch word boss, are used instead. ('Niemand zal in dit republikeinse land de term master of mistress gebruiken; in plaats daarvan worden employers en het Nederlandse woord boss gebruikt.')

Aanvankelijk was boss vooral spreektaal; zo werd in een etiquetteboek uit 1833 geschreven: 'Such words as [...] boss [...] are rarely used by the better orders.' Maar geleidelijk verbreidde het zich, ter aanduiding van een 'baas, voorman', en tevens als aanspreekvorm. In 1849 merkte Bartlett, de auteur van een bekend boek getiteld The dictionary of Americanisms, op: 'The blacks often employ it in addressing white men in the Northern States, as they do massa (master) in the Southern States.' Tot slot kreeg het woord in het Amerikaans-Engels betekenissen die baas in het Nederlands niet kent. In de politiek wordt boss gebruikt voor 'een bobo, een partijbons': the Republican bosses. En boss wordt in de spreektaal ook als bijvoeglijk naamwoord gebruikt en heeft dan een superlatieve betekenis: a boss sight is 'een te gek schouwspel'.

In de loop van de negentiende eeuw namen de Britten het woord boss over van de Amerikanen, aanvankelijk in de arbeiderstaal of met humoristische gevoelswaarde ('You're the boss!'), maar geleidelijk als neutraal woord. De meeste andere talen hebben in de twintigste eeuw het Nederlandse woord in de Amerikaans-Engelse vorm overgenomen; om maar enkele te noemen: boss is geleend door het Deens, Duits, Frans, Italiaans, Kroatisch, Macedonisch, Lets, Litouws (bōsas), Noors, Russisch, Sloveens, Spaans en Zweeds. Zelfs het Nederlands heeft het woord teruggeleend, onder andere in de verbinding big boss: hij is daar de/een big boss. Waaraan het woord dit succes te danken heeft, is niet helemaal zeker, maar waarschijnlijk heeft het feit dat Amerikaanse bedrijven mondiaal opereren en in de hele wereld toonaangevend zijn, een rol gespeeld.

Ook de Nederlandse vorm baas is door andere talen overgenomen, met name door talen die gesproken worden in gebieden waar de Nederlanders ooit heersers zijn geweest. Zo is in het Indonesisch, Javaans en Papiaments bas bekend, in het Singalees bās (als aanspreekvorm voor ambachtslieden), en in het Sranantongo basi. In het Ambonees betekent bas 'kampioen, expert'. In het Engels dat gesproken wordt in het Caribisch gebied is uiteraard het Engelse boss bekend, maar daarnaast gebruikt men in Jamaica, Guyana en Belize ook de vorm baas. Allsopp zegt hierover in zijn Dictionary of Caribbean English Usage dat het woord in zijn oorspronkelijke vorm is overgenomen dankzij het belangrijke Nederlandse aandeel in de zeventiende-eeuwse slavenhandel. Hieraan is volgens hem waarschijnlijk tevens het leenwoord nigger in het Caribisch Engels te danken, dat via het Nederlandse neger teruggaat op het Spaanse woord negro 'zwart'. Ook in het Engels zoals dat wordt gesproken in Zuid-Afrika is ten slotte de Nederlandse - eigenlijk de Afrikaanse - vorm baas overgenomen.

Al met al kan het Nederlandse woord baas een van de succesvolste uitleenwoorden genoemd worden.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

baas* meerdere, hoofd 1280 [CG I1, 462]

M. De Coster (1999), Woordenboek van Neologismen: 25 jaar taalaanwinsten, Amsterdam

baas der bazen, informele benaming voor de hoogste baas van een onderneming, zaak enz. Onder invloed van het Hebreeuws? → tocht* der tochten; feest* der feesten.

Tijdens het proces werd Johan V. — bijgenaamd De Hakkelaar — afgeschilderd als de ‘baas der bazen’ van de Octopusbende. (Elsevier, 01/02/97)
Het Hakkelaarsdossier bevat een interessant organogram van de Octopusbende. Centraal daarin staat de groep van Johan V., met onder deze ‘baas der bazen’ drie divisies. (Elsevier, 08/02/97)
De Gambino’s zijn in meerdere opzichten exemplarisch voor dat verval. Ze gelden als de machtigste mafiafamilie in New York en daarmee in de hele VS; de baas van de Gambino’s fungeert qualitate qua als ‘capo di tutti capi’, baas der bazen. (Het Parool, 20/06/97)
In Francis Ford Coppola’s maffia-epos ‘The Godfather’ probeert Al Pacino uit alle macht aan de opvolging van zijn v aan hun lichamelijke conditie te doen — net zomin als het volgens mij toeval is dat de fitness-hausse in de Nederlandse cultuur tot explosie werd gebracht op hetzelfde moment dat deze baby boomers ouder dan dertig werden. (Haagse Post, 15/10/88)
Ze geeft ons een analyse van dit succes. Vertelt in korte, strakke zinnen over de baby-boomers die eerst yuppies en toen homies werden. De lichte ironie. (De Volkskrant, 21/01/89)
Met name de ‘baby boomers’ — mensen die zijn geboren in de jaren vijftig en zestig en die nu druk doende zijn met carrière en familie — zouden aandelen wel eens kunnen gaan beschouwen als een belangrijk element in hun financiële planning op lange termijn. (Intermagazine, april 1992)
De late baby-boomer, geboren in de jaren vijftig, kijkt terug op een verwarrender moraalgeschiedenis. (Elsevier, 23/10/93)
Ze volstonden om de oudere generatie, die van het pluche moest worden gestoten, verdacht te maken. Daartegenover stonden de moreel superieure ‘babyboomers’ die alles stellig beter zouden hebben gedaan. (HP/De Tijd, 28/04/95)
De generatie 30-plussers, de ‘babyboomers’, zit goed in de slappe was, heeft betrekkelijk veel vrije tijd en is opgegroeid met een divers cultureel aanbod. (De Volkskrant, 19/10/96)
Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut