Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

baars - (vis)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

baars zn. ‘riviervis (Perca fluviatilis)’
Mnl. bars ‘vis’ [1240; Bern.], als toenaam in Sigerus Bars [1248; Debrabandere 1993] en diederic baers [1270, Gent; CG I, 173]; vnnl. baers ‘vis’ [1599; WNT louw II].
De vis is genoemd naar zijn stekelige vinnen, zie → borstel.
Os. bars, ohd. bars (nhd. Barsch); nfri. bears; oe. bærs (ne. bass, dial. barse); < pgm. *barsa-. Daarnaast met achtervoegsel en umlaut ohd. bersih < pgm. *barsih-, en met andere ablaut (< *burzōn-) de Noord-Germaanse vormen ozw. aghborre (nzw. abborre); ode. agborre (nde. aborre); nno. åborr(e), met een eerste lid *ag- ‘spits’.
Er zijn geen verdere Indo-Europese verwanten. Gereconstrueerd is wel pie. *bhers- ‘spits’; deze wortel is echter problematisch (IEW 108 e.v.). Zoals meer namen van vissen is dit dus waarschijnlijk een substraatwoord.
Het Frans heeft bar (Nieuwfrans ‘zeebaars’ met als volkstalig equivalent loup (de mer); oudere vorm bars) eind 12e eeuw ontleend aan het Nederlands.
Lit.: Boutkan 1999a, 1999b, 2000

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

baars1* [vis] {barse 1201-1250} oudsaksisch, middelhoogduits bars, oudengels bears, baers; het dier is naar zijn stekelvinnen benoemd: het woord is verwant met borstel.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

baars 1 znw. m., ‘stekelvinnige riviervis’, mnl. baerse, vgl. os. mhd. bars (nhd. barsch), oe. bears, bærs. — > fra. bar(s) (sedert 13de eeuw, M. Valkhoff 54). Het woord duidt de stekelige rugvinnen aan en behoort tot de groep van borstel.

De. aborre (ouder aghborre), zwe. adborre zijn samengesteld met germ. -ag ‘spits, punt’, waarvoor zie: eg.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

baars znw., mnl. ba(e)rse v. De a is vóór r + dentaal gerekt, zie baard. Vgl. mhd. os. bars (nhd. barsch) m. (laat-ohd. bersih m. > nhd. dial. bärsich), ags. bears, bærs m. (eng. barse, bass). Met ablaut de samenst. ode. agborræ, ozw. aghborre, de. zw. aborre (rr uit rz). Wsch. verwant met borstel, de visch heet dan naar zijn stekelige vinnen.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

baars 1 m. (visch), Mnl. barse, Os. bars + Mhd. bars (Nhd. barsch en bersich), Ags. bærs (Eng. barse, bass, brasse), Zw. & De. aborre, van denzelfden wortel als borstel.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

3bagger s.nw.
Baar (6baar): Soort seevis met giftige vinne en slap aanhangsels om die mond wat in riviermondings en strandmere voorkom.
Wsk. vervorm uit Port. bagre.

J. van Donselaar (1989), Woordenboek van het Surinaams-Nederlands, Muiderberg

baars (de, baarzen), naam voor een groot aantal kleine, meest gevlekte zilverkleurige zoetwatervissen behorende tot de karperzalmen van de familie Charicidae. - Etym.: Er is geen bijzondere gelijkenis met AN b. (Perca fluviatilis), een vis o.m. in Nederland. S sriba.

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

baars: soort soetwatervis (Perca fluviatilis, fam. Percidae); Ndl. baars (17e eeu gew. baers), Hd. barsch, Eng. barse/base/bass(e), maar v. seebaars en seebassie; vRieb se baersrevier loop na swaar reëns sowel in Vals- as in Tafelbaai uit (13.5.1661).

Thematische woordenboeken

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Borstel van ’t Mnl. borste = varkenshaar, verwant met den Voorgerm. wt. bhers = spits (vgl. ook Baars = de puntige, scherpe visch).

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

baars ‘beenvis’ -> Deens bars ‘beenvis’ (uit Nederlands of Nederduits); Frans bar ‘beenvis’; Bretons bars ‘beenvis’ ; Russisch berš ‘beenvis, soort snoekbaars (Perca fluviatilis)’; Papiaments bèrs (ouder: bérs) ‘soort zeebaars (Lutjanus apodus)’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

baars* beenvis 1240 [Bern.]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut