Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

baardman - (antieke stenen kruik met een baardige kop aan de hals)

Etymologische (standaard)werken

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

baardman [antieke stenen kruik met een baardige kop aan de hals] {baardmannetje 1926-1950} < hoogduits Bartmannskrug.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

baardman s.nw.
1. Man met 'n baard. 2. Enigeen van verskeie soorte visse met tentakels aan die onderkaak. 3. Soort Rynse kruik uit die 16de en 17de eeu met 'n manskop versier.
Uit Ndl. baardman (1657 in bet. 1, 1724 - 1726 in bet. 2, 1941 in bet. 3), in bet. 2 so genoem omdat die vis se tentakels aan 'n baard herinner en in bet. 3 omdat die manskop wat die kruik versier 'n baard het.
Vanuit Afr. in S.A.Eng. (1853 in bet. 2).

Thematische woordenboeken

H. Blok en H.J. ter Stege (2008), De Nederlandse vogelnamen en hun betekenis, 4e editie, Leidschendam

BAARDMAN – Panurus biarmicus
Duits Bartmeise
Engels Bearded Reedling (Tit)
Frans Panure à moustaches
Fries Burdmantsje
Betekenis wetenschappelijke naam: dubbel opgetuigde staartvogel. Het lange tijd zo genoemde Baardmannetje, ook bekend als Baardmees, werd vroeger ingedeeld bij de mezenfamilie. Met zijn lange staart heeft hij wel wat weg van een Staartmees. Een duidelijk ander kenmerk is de ‘knevel’ van het mannetje die gevormd wordt door twee zwarte baardstrepen. Hieraan dankt de soort zijn naam. De Friese naam wordt soms als Birdmantsje of Beardmantsje geschreven. Uitgestrekte rietvelden en moerassige streken bepalen de biotoop van deze soort, die daarom Rietmees en Rietpapegaaitje (Kam, Mei) wordt genoemd. ‘Papegaaitje’ houdt zowel verband met de verwantschap van de soort met de onderfamilie Papegaaisnaveltimalia’s of Diksnavelmezen als met het bekoorlijke uiterlijk en de acrobatische capriolen die het Baardmannetje in het riet maakt. Deze soort heeft echter een dunne snavel en mede op die grond is hij wel gerekend tot de z.g. Meesvliegenvangers. Opmerkelijk is dat het mannetje bij koud weer het wijfje soms beschut met zijn vleugels. Dit verschijnsel werd vroeger ook waargenomen als de soort in een kooitje werd gehouden. Ze lijken zo samen één bolletje veren. Wellicht is hieruit de naam Dekvogeltje of Dekfûgeltsje (Fr) ontstaan.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

baardman ‘man met baard of dier met baardachtige uitsteeksels; meesachtige vogel; antieke stenen kruik met een baardige kop aan de hals’ -> Fries baardman ‘man met een volle baard’; Noors bartmannkanne ‘middeleeuwse kan met baardmasker’ (uit Nederlands of Nederduits); Zuid-Afrikaans-Engels baardman ‘naam van enkele barbeelachtige vissoorten’ ; Zuid-Afrikaans-Engels baardman, baardmannetj(i)e ‘vogel met baardachtige strepen op de keel’ .

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut