Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

baard - (haar op kin en wangen)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

baard zn. ‘haar op kin en wangen’
Mnl. bart [1201-25; CG II, Floyr.], baert [1285; CG II, Rijmb.]; vnnl. baert [1566; WNT Supp. aard II].
Met rekking van oorspr. korte a vóór -r- + dentaal (zie Schönfeld 1970, par. 57b) ontstaan uit ouder bart.
Germaanse cognaten zijn: os. bard, mnd. bard; ohd. bart (nhd. Bart); ofri. berd (nfri. burd); oe., ne. beard; on. barð (nzw. bard ‘walvisbaard’); < pgm. *barda-.
Buiten het Germaans wellicht verwant met: Latijn barba (al levert de b- aan het begin moeilijkheden op; ontstaan uit een ouder *farbā?); Litouws barzda; Oudkerkslavisch brad (Tsjechisch brada ‘kin, baard’); Oudpruisisch bordus; en misschien Sanskrit bráda; bij de wortel pie. *bhardh- (IEW 110). Voor het Proto-Indo-Europees is een afleiding met het -dh-achtervoegsel bij de wortel *bhrs ‘punt, borstel’ (dezelfde wortel als in → boren, → baars) onwaarschijnlijk. Het is aannemelijker dat het hier gaat om een niet-Indo-Europees substraatwoord.
Het woord is uit een zeer vroege fase van het Germaans overgeleverd in de naam van de volksstam van de Langobarden of Longobarden, letterlijk ‘de Langbaarden’, zie verder bij → lommerd.

EWN: baard zn. 'haar op kin en wangen' (1201-25)
ANTEDATERING: bart 'baard' in: vendidit waltero bartde terram 'hij verkocht aan Wouter Baard het land' [1210; VMNW]
[J. Luif (2010-2018), 'Oudere dateringen van woorden uit het EWN', in: Trefwoord (bewerkt)]

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

baard* [haar op kin en wangen] {baert 1201-1250} oudhoogduits bart, oudfries berd, oudengels beard; buiten het germ. latijn barba, litouws barzda, oudkerkslavisch brada.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

baard znw. m. mnl. baert, os. unbardoht ‘zonder baard, niet manbaar’, ohd. bart, oe. beard, ofri. berd. Het on. barð is mogelijk uit het mnd. ontleend (AEW 26). — lat. barba (met dissimilatie uit *bhardha), osl. brada, lett. bàrda, opr. bordus, waarnaast lit. barzdà. Men gaat terug op een idg. wt. *bhar ‘borstel, omhoogsteken’ (IEW 110).

Voor een andere verklaring J. Trier, Holz 1952, 86-7, die wil uitgaan van een betekenis ‘met korte loten uitgegroeide wortelstok’, vgl. het verband van on. skegg ‘baard’ met skōgr ‘bos’.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

baard znw., mnl. baert (d) m. Met gerekte a voor r + dentaal; vgl. aard I. = ohd. (nhd) bart, (os. unbardoht “zonder baard, niet manbaar”), ofri. berd, ags. (eng.) beard m. “baard”. Het On. bezit een ander woord voor “baard”: skegg o.; vgl. echter eigennamen als Hârbarðr. Got. cinnabar, bij Isidorus vermeld, kan een got. *bards bevatten. Germ. *ƀarða- is een oud woord; vgl. lat. barba (uit *farba geassimileerd; in it. farfecchie “snor” heeft men wel een afl. van osk.-umbr. *farfâ- vermoed), obg. brada, opr. bordus “baard”. Eenigszins afwijkend lit. barzdà “id.”.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

baard. Ter verklaring van de lat. vorm is het wsch. juister dissimilatie (van aspiratie) aan te nemen in het stadium *bhar-dhâ (> *bardhâ > barba): F. Muller IF. 39, 182. Het it. farfecchie moet in dit verband niet worden genoemd: Niedermann IF. Anz. 29, 31.
Wellicht is lit. barzdà door kruising met een tot de woordfamilie van borstel behorend woord ontstaan. Petersson Balt. u. slav. Wortstud. 20 acht het hiermee verwant. Zie ook nog WP. II, 135.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

baard m., Mnl. baert, Os. bard + Ohd. bart (Mhd. en Nhd. id.), Ags. beard (Eng. id.), Ofri. berd + Lat. barba (d.i. *bardha, i.p.v. *bhardha), Oslav., Boh. en Serb. brada, Ru. boroda, Opru. bordus, Lit. barzdà. — Onzen Heer een vlassen baard aandoen is nabootsing van Fr. faire barbe de fouarre (of de paille) à Dieu, vervormd uit faire garbe (gerbe) de..., d.i. voor het tiende een schoof stroo in plaats van tarwe aanbieden. — Om den keizer zijn baard strijden is nabootsing van Hgd. um des Kaisers bart streiten, d.i. zich vruchteloos moeite geven; de baard van Barbarossa wordt bedoeld.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

baard s.nw.
1. Hare op die wange, ken en om die mond, veral by volwasse mans. 2. Iets wat aan 'n baard (baard 1) herinner, bv. haaragtige aanhangsels by diere en plante, die gekeepte blad van 'n sleutel, die punt van 'n ploegskaar, ens.
Uit Ndl. baard (Mnl. baert in bet. 1, 1698 in bet. 2). Eerste optekeninge in Afr. op 2 Julie 1866 in die samestelling baarddraers (Scholtz 1965: 107) en in Patriotwoordeboek (1902).
D. Bart (8ste eeu), Eng. beard (ongeveer 825).

Thematische woordenboeken

M. De Coster (2007), Groot scheldwoordenboek: van apenkont tot zweefteef, Antwerpen

baard: iemand met een baard. Nog een graad erger is baardaap*. In Vlaamse politieke kringen was den Baard de bijnaam voor minister van Begroting, Overheidsbedrijven en de Noordzee (in het kabinet van Verhofstadt II), Johan Vande Lanotte.

‘Zuiplappen!’ brulde de baard. ‘Wegpiraten! Kun je niet kalm in de file gaan staan en je beurt afwachten?’ (Willy van der Heide, Toen ik een nieuw leven ging beginnen en andere waargebeurde verhalen uit de jaren vijftig, 1979)

P.G.J. van Sterkenburg (2001), Vloeken. Een cultuurbepaalde reactie op woede, irritatie en frustratie, 2e druk, Den Haag

baard. De verbinding bij Gods baard was een historische eedformule waarin God en zijn baard tot getuige worden aangeroepen dat men de waarheid spreekt. Het ijdel gebruik van deze formule maakt haar tot vloek. De eed bi minen barde wordt in het Middelnederlands ook gebruikt als een vrij gevaarloze uitroep. Een andere vaste formule is bij Judas’ baard. Het WNT ii, 827 schrijft dat de Germanen reeds de gewoonte hadden om een eed te doen bij iemands baard. Later werden dergelijke eden niets dan grappige formules om iets te verzekeren.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

baard ‘haar op kin en wangen; balein’ -> Fries baard ‘haar op kin en wangen’; Duits Barte ‘bij vissen: draadvormige uitwassen aan de bovenlip’; Deens barde ‘balein’; Deens skæg ‘balein’; Noors barde ‘balein (behaarde, driehoekige hoornige platen bij walvissen)’ (uit Nederlands of Nederduits); Zweeds bard ‘walvisbaard’; Russisch dialect † bárdy ‘vezelachtige hoornplaten aan de bovenkaak en het gehemelte van de walvis’; Esperanto barto ‘balein’ ; Negerhollands baard, bād ‘haar op kin en wangen’; Creools-Engels (Maagdeneilanden) † bad ‘haar op kin en wangen; bakkebaard’ .

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

baard* haar op kin en wangen 1240 [Bern.]

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

133. De baard zit hem nog in de keel.

Dit zegt men van half volwassen knapen, wier stem nog niet geheel gevormd is. Ook in het Nd. he hett de Bart in de Hals (hat Stimmwechsel); zie Eckart 33. In het fri. it bird sit him yn 'e kiel; gron. de board in de keel hebben (Molema, 43 a); in het Land v. Waas: baard krijgen in de keel, de mannenstem krijgen. De zegswijze komt voor in Junius' Nomenclator 13, waar ephebus verklaard wordt door: een jongelinck die den baert in de kele heeft; zie verder Harreb. I, 24 b; Ndl. Wdb. II, 825; Antw. Idiot. 172: den baard in de keel hebben of krijgen; 522: haar in de keel krijgen.

1122. Spelen om den keizer zijn baard,

d.w.z. spelen zonder inzet, om niets; hd. um des Kaisers Bart streiten, sich erfolglos um abgethane, verschollene dinge abmühen (Grimm I, 1143) of zooals Schrader, 351 zegt: über etwas, das entweder unwichtig, kleinlich, unnöthig oder vergeblich, unerforschbar ist streiten, sich zanken. Bij ons heeft dus de zegswijze een andere beteekenis. Bij Harreb. I, 25 b: wedden (spelen of vechten) om des Keizers baard; die het wint, zal hem halen; fr. jouer pour le roi de Prusse. De oorsprong der zegswijze is onbekend. Weiland verklaart haar door ‘om iets te spelen, waarop men geen recht heeft’. Zie Ndl. Wdb. II1, 827; Schrader, 350-352; Borchardt, no. 122; Wander I, 240; Seiler, 237 denkt aan vervorming van um den Geiszenbart streiten, navolging van lat. de lana caprina rixari; vgl. fr. disputer de la chape de l'évêque; se battre de la chape à l'évêque, d'une chose à laquelle on n'a aucune raison de s'intéresser (Hatzfeld, 400 b). Syn. in 't Antw. Idiot. 1731: voor gruis spelen, spelen zonder inzet.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut