Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

baan - (weg, pad; betrekking)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

baan zn. ‘weg, pad; betrekking’
Mnl. bane ‘slagveld’ in ende scieden hem uter bane ‘en haalden hem van het slagveld’ [1340-50; MNW], ‘speelbaan, kaatsveld’ [ca. 1410; MNW], ‘betreden en begaanbare weg’ zoals in Soe wye nu treden buten banen [ca. 1480; MNW]; vnnl. baen, bane ‘betreden weg’ [1573; Thes.]; nnl. baantjes (mv.) ‘werk’ [1739; WNT].
Over het algemeen gaat men ervan uit dat de oorspr. betekenis ‘vrijgemaakte plek, doorgang’ is, zie ook het afgeleide → banen. Zoals bijv. mhd. slage ‘spoor, weg’ hoort bij het werkwoord slaan, is baan in dat geval verwant met mnl. bane ‘verwonding, dood(slag), verderf, leed, kwelling’, mnl. banen (verbogen vorm) ‘leed’ [1287; CG II, Nat.Bl.D], nog gebruikt tot begin 15e eeuw (MNW).
Mnd. bane ‘weg; open egale vlakte’; mhd. ban, bane ‘open, voor het rijden of lopen geëffende ruimte; baan, weg’ (nhd. Bahn ‘spoor(weg)’); nfri. baan; nzw. bana ‘baan’ (< Nederduits); < pgm. *banō-. Van de wortel *ban- is een groot aantal woorden afgeleid waarvan de betekenissen allemaal dicht bij elkaar liggen: os. beni-wunda ‘wonde’, bano ‘moordenaar’; ohd. bano ‘id.’ (mhd. ban), bana ‘dood, verderf’ (mhd. ban); ofri. bona ‘moord, moordenaar’; oe. bana ‘moordenaar’ (ne. bane ‘dood, verderf’), bana, benu ‘wonde’; on. ben (nijsl. ben), bani ‘dood, moord, moordenaar’ (nzw. bane ‘dood’, baneman ‘moordenaar’); got. banja ‘slag, wonde’.
Verwanten buiten het Germaans hierbij zijn Avestisch banta- ‘ziek’; Oudiers bon ‘doodslag’; bij de wortel pie. *bhen- ‘slaan, verwonden’.
Sinds de 18e eeuw komt ook de betekenis ‘betrekking’ op, aanvankelijk als verkleinwoord baantje, zoals in de minste Bedieningen, of Baantjes, zo als men ze noemt [1739; WNT]. Dit is van origine een zeemansterm en duidde “een betrekking bij het zeewezen die vrijstelling geeft van de vermoeiende en drukke werkzaamheden aan boord” aan (WNT). De betekenis is ontstaan via de uitdrukking baantje rijden voor schaatsers die niet een verre en vermoeiende tocht buiten de ijsbaan aandurfden of -konden. Sinds het midden van de 20e eeuw komt naast baantje ook baan in dezelfde betekenis voor.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

baan* [weg] {bane, baen 1340-1350} middelnederduits, middelhoogduits bane; verder zonder duidelijke verwanten.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

baan znw. v., mnl. bane ‘effen vlakte (slagveld, kaatsbaan, strand), weg’. mnd. bane ‘open ruimte, baan’, mhd. bane (nhd. bahn).

Indien men uitgaat van een gladgemaakte weg, dan zijn te vergelijken westfaals baan ‘de platte zijde van de hamersteel, waarmee geslagen wordt’, vgl. baanen ‘plathameren’. Dat voert tot de idg. wortel *bhen ‘slaan, verwonden’, vgl. os. ohd. bano, oe. bana, die iemand doodslaat, on. bani ‘dood, moordenaar’, ben, got. banja ‘slag, wonde’ (IEW 126).

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

baan znw., mnl. bāne v. “effen vlakte (slagveld, kaatsbaan, strand), weg”. = mhd. bane v., ban m. v. (nhd. bahn v.), mnd. bāne v. “baan, open ruimte”. Een echt-germ. woord, al komt ʼt in de oudere diall. niet voor. Wsch. moeten wij van de grondbet. “effene, gladde oppervlakte” uitgaan en verwantschap met boenen aannemen. Van de andere hypothesen is de aannemelijkste, dat baan bij de germ. basis ƀan- “slaan” zou hooren, waarvan o. a. mnl bāne v. m. “leed, kwaad, schuld”, ohd. os. bano, ofri. ags. bona m. “moordenaar”, on. bani m. “moordenaar, dood”, os. beni-wunda v. “doodelijke wond”, ags. benn, on. ben, got. banja v. “wond”. Voor de bet. vgl. ier. slige “weg”: sligim “ik sla”. Ook zouden wij echter van germ. ƀan- “uitbreken” (oorspr. wellicht = ƀan- “slaan”) uit kunnen gaan en met dit germ. ƀan- arm. banam “ik open”, banak “vrije ruimte” en ook lat. fenestra “gat in den muur, venster” combineeren.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

baan. Van de in het art. vermelde combinaties verdient die met germ. ƀan- ‘slaan’ de voorkeur. De bet. kan worden toegelicht, behalve met kelt. parallellen, door te wijzen op secundaire bett. van het woord slag in verschillende germ. diall., o.a. ‘spoor, weg’ (mnl. mhd. mnd.).

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

baan v., Mnl. bāne + Ndd. bāne (waaruit De. bane, Zw. bana), Mhd. bāne (Hgd. bahn): in geen ander Germ. talen. De eerste bet. blijkt “gladde oppervlakte” te zijn (cf. baan van een hamer, van een aambeeld); dan is verwantschap met boenen het waarschijnlijkst. Anderen, naar aanleiding van Oier. sligi = weg, nevens sligim = slaan, denken aan Idg. *bhon- = slaan, waarvan Gr. phónos = manslag, Ohd., Os. bano, Ags., Ofri. bona, On. bani = moordenaar, Ags. benn. On. ben, Go. banja = wonde. In op de lange baan schuiven is baan, blijkens Hgd. en Skand., vervormd uit bank; men schuift de stukken der uitgestelde rechtszaken op een zijdsbank.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Aarts (2017), Etymologisch Dictionairke vaan ’t Mestreechs, Maastricht

baon (zn.) 1. weg; Middelnederlands bane <1340-1350>; 2. betrekking; Nuinederlands baan <1739>.

Thematische woordenboeken

P.G.J. van Sterkenburg (2001), Vloeken. Een cultuurbepaalde reactie op woede, irritatie en frustratie, 2e druk, Den Haag

baan. Een Vlaamse zegsman kent de verwensing kust mijn reet, de baan in! Zij is wel heel direct en onopgesmukt. Het tweede deel van de verwensing plaatst ons voor enige raadsels. Een groezelige letterlijke verklaring ervan zou kunnen zijn ‘ga mijn aars, mijn endeldarm binnen’. Misschien wordt met baan niet meer bedoeld dan de spleet tussen de twee billen. Mijn zegsman voegt eraan toe dat het een verwensing is die niet alleen door losbollen, drinkebroers en vrekken gebruikt wordt. De emotionele betekenis duidt op minachting e.d. en kan weergegeven worden met ‘ik walg van je, alleen het minderwaardigste is voor jou goed genoeg’.

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Baan is waarschijnlijk verwant met bonen (boenen) = glad maken; het zou dan de gladgemaakte weg beteekenen. Hiervoor spreekt o.a., dat het gladde, platte vlak van een hamer (dat op den spijker neerkomt), het bovenvlak van een aambeeld en het ondervlak van een schaaf ook baan genoemd worden.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

baan ‘weg’ -> Deens bane ‘(spoor)weg; levensweg’ (uit Nederlands of Nederduits); Noors bane ‘weg voor bepaald verkeer, meest in samenstellingen (kjørebane, jernbane); sportplaats; buitenste (slijt)laag van een band; (in samenstellingen) vlak deel van gereedschap’ (uit Nederlands of Nederduits); Zweeds bana ‘weg; spoorlijn; loopbaan’ (uit Nederlands of Nederduits); Indonesisch ban ‘railbaan; racebaan; start- en landingsbaan; tennisbaan’; Javaans ban ‘weg; railbaan’; Makassaars bâng ‘racebaan; afstandsmaat’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

baan* weg 1340-1350 [MNW]

baan* betrekking 1739 [WNT]

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

128. Ruim baan maken,

den weg vrij maken van belemmeringen, een doortocht banen, alles uit den weg ruimen. De zegswijze dateert uit de 17de eeuw; Halma, 37: Ruim baan maken, fendre la presse, se faire un passage; Sewel, 54; Ndl. Wdb. II, 809.

1007. Vette en magere jaren,

d.i. voordeelige en nadeelige jaren, tijden van voorspoed en tegenspoed. ‘Blijkbaar wordt gezinspeeld op de vruchtbare en onvruchtbare jaren in Egypte uit Jozefs geschiedenis, aangeduid door de zeven vette en zeven magere koeien, Genesis 41:18-19’; Zeeman, 295; hd. fette Jahre und magere Jahre; eng. the lean years and the fat years (Prick2, 52).

129. De baan is schoon,

de gelegenheid is gunstig (daar niemand in den weg staat om dat, waartoe de gelegenheid gunstig is, te verhinderen); in de 17de en 18de eeuw zeide men hiervoor de baan is klaar. Vgl. Waasch Idiot. 230 a en De Bo, 341: het gat schoon hebben, vinden of zien; in Boerekrakeel, 41: de baan schoon schrobben. Zijn baan schoon- of klaarmaken, -vegen, zich verontschuldigen, zich vrijpleiten; syn. zijn pad schoonmaken (Westerb. II, 457; Tuinman I 7; vgl. Ter B. 299; A. 577; 393); Willem Leevend VIII, 233: zijn baan schoonvegen; Ndl. Wdb. II, 809 en 811.

130. Van de baan knikkeren (iemand -),

eig. in het knikkerspel iemand afspelen, zoodat hij niet meer mee mag doen; daarna in 't algemeen een tegenstander uit den weg ruimen. Het znw. baan heeft hier de beteekenis van den weg, waarlangs de knikkers of ballen worden voortgeworpen. Ook iem. uit de baan kegelen (in Ndl. Wdb. VII, 2039). Vgl. Schuermans, Bijv. 154 b: iemand ergens uitkegelen, hem er uitdrijven; Waasch Idiot. 150 a: iemand buitenkegelen, d.i. iemand de deur uitknikkeren; ook iem. buitenkaatsen (zie Teirl. 226), buitenjassen (Antw. Idiot. 312), buitenwalsen (Antw. Idiot 1623). De Bo, 341: iemand het gat afslieren; Tuinman I, 251: ymand van de baan knikkeren, dat is, een mededinger uit den weg ruimen. Vgl. eng. to bowl one out. In Zuid-Nederland zegt men ook iemand ievers in of uit cijferen (Teirl. 240; De Bo, 206). Ook iets (bijv. een wetsvoorstel) van de baan kegelen; zie Het Volk, 16 Nov. 1915 p. 1 k. 2.

131. De baan warm houden.

Reeds door Winschooten vermeld en verklaard als ‘zonder ophouden, en met iever, den een voor den ander naa langs de baan glijden: het welk ook tot andere saaken door gelijkenis oovergebragt werd’. Halma, 37 verklaart, met Tuinman I, 263, de uitdr. op dezelfde wijze door ‘onophoudelijk op de sullebaan glijden’, en vervolgens bij overdracht: ‘zonder ophouden in dezelfde bezigheid volharden’, terwijl Van Dale denkt aan de ijsbaan, blijkens zijn verklaring: ‘gestadig op de schaatsen zijn’. Het liefst zou ik baan opvatten in den zin van sullebaan, glijbaan en wel omdat men in Amsterdam nog bij het sullen roept hou warm! hou warm! Zie nog Pasquil, 6; Bank. II, 33; Gew. Weuw. III, 40; Langendijk, Don Quichot, vs. 1680 en Ndl. Wdb. II, 813.

132. Iets op de lange baan schuiven,

de afdoening van iets vertragen, uitstellen; fri. op 'e lange baen skouwe. De Duitschers zeggen hiervoor etwas auf die lange Bank schieben, een uitdrukking die volgens Grimm en H. Paul aan de rechtstaal moet ontleend zijnOtto wijst bl. 333 op het lat. longi subsellii judicatio, en op longis lineis fieri i.e. de longinquo.. Zie Halma: tirer une chose en longueur, eene zaak rekken of op de lange baan brengen; affaire qui tire en longueur, eene zaak die langzaam voortgaat of op de lange baan sleept; Tuinman I, 350: ‘Iets op de lange baan schuiven: dit zegt eene zaak verwijderen en uitstellen, zo dat ze in langen tijd niet afgedaan wordt. Dus hangt men een proces aan den spijker. Het spreekwoord speelt op een verren weg’. Syn. iemands recht aan het lange lijntje knoopen (anno 1652W. Davids, Verslag van een onderzoek betreffende de betrekkingen tusschen de Ndl. en de Spaansche Letterkunde in de 16e-18e eeuw, bl. 113.), wat doet vermoeden dat we bij ‘baan’ aan een lijnbaan moeten denken. In 't fri. kent men ook op 'e lange baen, op den duur (zie ook Het Volk, 22 Febr. 1915. p. 7 k. 2).

877. Heg (of weg) noch steg weten,

d.w.z. in het geheel den weg niet weten, ergens geheel onbekend zijn. In het oostfri. hê kend gên weg of steg. Onder een steg verstaat men in het oostfri.: een plank over een sloot (Ten Doornk. Koolm. III, 305 b); in West-Friesland een smal bruggetje, vlonder (De Vries, 98); in Drente is een steg een pad, een weg (Archief I, 350); vgl. het mnl. stech, nhd. steg, mnd. stech, voetpad of plank over eene sloot. De uitdrukking komt voor in Van Homulus een Schoene Comedie (VI. Bibliophilen, 2e Serie no. 6), bl. 40:

Ick moet reysene en verre oncondige wech
Nu desen nacht, en weet niet wech noch stech.

Vgl. verder Landl. 88: Weg noch steg weten; Ppl. 159: Hij weet hier heg noch steg; Gunnink, 239: Geen weg of stek weten; Nkr. IV, 28 Aug. p. 5: Zij vonden in 't lastige doolhof van streken geen weg of steg. Zie Antw. Idiot. 172: van pad of baan weten, pad noch baan vinden; en bl. 519: haak noch staak weten. Vgl. ook over heg en steg, mnl. over stock ende (over) steen, door dik en dun; in Limb. over hok en blok; huik en struik ('t Daghet VIII, 65); bij Rutten, 220: over hok en stok loopen (vgl. eng. over stock and block); Joos 54: over beek en gracht, over heg en haag; deur hei en schavei loopen (Waasch Idiot. 571).

1107. Het katje van de baan,

d.w.z. de eerste; vooral onder schooljongens; de baas, de aanvoerder, het haantje de voorste, het haantje van de buurt. Het znw. baan moet hier worden opgevat in den zin van ‘publieke weg’ (Ndl. Wdb. II, 810) en kat in dien van den voornaamste, den belhamel, welke bet. door Sartorius IV, 74 wordt opgegeven: 't Katteken zijn, de bel-hamel wesen, de eo qui certos omnes vincit ac superat. In de 17de eeuw vinden we de uitdr. o.a. bij Huygens VI, 272 en 298: (Hij) socht nergens baes te zijn of 't kattje vande baen; Spaan, 197: Dezen boerschen student overtrof de steedsche in alle ondeugendheid zoodanig, dat hy 't katje van de baan genoemd wierd. Zie ook Halma, 257: Hy is het katje van de baan, hy is de voornaamste of de meester van allen; Waasch Idiot. 329 b: Het katje van de baan zijn, de bijzonderste, de felste zijn. Afrik. Die katjie van die baan, die eerste in plesier.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut