Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

baal - (zak voor handelswaar; hoeveelheid die erin gaat)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

baal zn. ‘zak voor handelswaar; hoeveelheid die erin gaat’
Gelatiniseerd mnl. bala [1305; Stall. I, 111], mnl. bale ‘baal’ [1427; MNHWS]; vnnl. bal, bale, balle ‘bundel’ [1550; Stall. I, 111].
Ontleend aan Oudfrans bale ‘baal’ [1268] < Oudfrankisch *balla, oorspr. identiek met → bal 1.

EWN: baal zn. 'zak voor handelswaar; hoeveelheid die erin gaat'; de vorm bale (1427)
ANTEDATERING: Van elker bale amandelen, rijs iof comijns 'van elke baal amandelen, rijst of komijn' [1343-60; iMNW comijn]
[J. Luif (2010-2018), 'Oudere dateringen van woorden uit het EWN', in: Trefwoord (bewerkt)]

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

baal znw. v., mnl. bale < ofra. balle, bale (nfra. balle) ‘baal’. Dit woord komt uit germ., vgl. bal 1, dus bijzonder gebruik in de handel voor als een bal opgerolde stoffen.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

baal znw., mnl. bāle v., Kil. bal, bale, balle “fascis, fascis mercium, sarcina convoluta”. Evenals mnd. bāle “baal, bundel”, eng. bale “baal” uit ofr. balle, bale (fr. balle) “baal”. Deze bet. is een specialiseering van “rond voorwerp”. Fr. balle, it. balla “baal, bal, kogel” komen uit het Germ. (vgl. bal I).

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

baal v., Mnl. bale, gelijk Eng. bale en Hgd. balle, uit Fr. balle = rond pak (z. bal 1).

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

1baal s.nw.
1. Groot sak van growwe stof vir handelsware. 2. Hoeveelheid koopware wat die inhoud uitmaak van 'n baal (1baal 1). 3. Hoeveelheid saamgeperste hooi, lusern, ens. wat deur drade bymekaargehou word.
In bet. 1 en 2 uit Ndl. baal (Mnl. bale in bet. 1, ongeveer 1610 in bet. 2). In bet. 3 uit Eng. bale (ongeveer 1325). Eerste optekening in Afr. in Patriotwoordeboek (1902).
Ndl. baal uit Fr. balle 'baal'.
D. Balle (15de eeu).

2baal ww.
1. Saampers in die vorm van 'n baal (1baal 3). 2. In 'n groot baal (1baal 1) of sak styf indruk.
Uit Eng. bale (1760 in bet. 1 en 2).

Thematische woordenboeken

M. De Coster (2007), Groot scheldwoordenboek: van apenkont tot zweefteef, Antwerpen

baal hooi: (marinetaal) waardeloos persoon; vent van niks. Vermeld door Harmsen.

baal stro: (jeugdtaal) saai persoon, duf iemand. Vermeld door Hoppenbrouwers.

Nicoline van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

baal (Frans balle)

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Baal is eigenlijk hetzelfde woord als bal, oorspr. n.1. een opgerold papier, later een zekere hoeveelheid opgerold of ingepakt papier (een baal= 10 riem), waaruit eindelijk het meer algemeene begrip van zekere hoeveelheid als afzonderlijk pak ontstond: een baal rijst.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

baal ‘zak’ -> Engels bale ‘bundel, pak’; Noors balle ‘groot pak lichte, samengeperste handelswaar; hoeveelheid handelswaar’ (uit Nederlands of Nederduits); Zweeds bal ‘groot pak lichte, samengeperste handelswaar’ (uit Nederlands of Nederduits); Fins paali, paalu ‘hooibaal; wolbaal’ (uit Nederlands of Duits); Ests pall ‘zak’ (uit Nederlands of Duits); Baskisch bala ‘zak; schoof, garve’ ; Indonesisch bal ‘zak’; Javaans bal ‘dichtgenaaide juten zak voor handelswaar; hoeveelheid handelswaar’; Arowaks bali ‘vat om vis in te doen’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

baal zak 1427 [HWS] <Frans

Hosted by Meertens Instituut